• Gegroet, sterveling! Nieuw op het forum?
    Als je wilt deelnemen aan het forum heb je een forumaccount nodig. Registeer er snel een! Heb je al een forumaccount? Dan kun je hier inloggen.

VerhalenTopic

Goden van Alka-Bras: Onyx en de amornimfen

Het was een mooie dag op het godeneiland. Nadat de nimfen waren opgestaan uit hun bedden op Amoreiland gingen ze naar de liefdesfabriek, om daar een hele belangrijke taak te vervullen: het maken van liefdespijlen en liefdesstof. Dat was immers nodig om de mensheid van liefde, en dus ook van geluk te voorzien. Het was een traditie dat nimfen naakt in de fabriek werkten. Dat is vreemd voor ons, maar bij de nimfen was dat heel gewoon.

Die middag ging Christina even naar buiten om een wandeling te maken. Het was middagpauze. Christina was een nimf van ongeveer 1,55 meter groot met bruin haar en bruine ogen. Ze was een redelijk frêle meisje met een kleine hazenlip en een vrij bleek lichaam. Net zoals alle andere nimfenjongens en -meisjes zag ze er prachtig uit. Wat ze echter niet wist, was dat Onyx, de godin van de chaos haar aan het bespieden was. Onyx heeft een bleke huid, pikzwart haar en haar typerende bewegende, grijze ogen. Ze loopt steeds gekleed in een zwarte jurk die aan de achterkant stopt onder haar schouderbladen en aan de voorkant geweven zit met zwarte, glanzende banden die als kettingen rond haar nek gedraaid zitten. Ze heeft kleine zwarte vleugels en zwarte handschoenen die met veren bekleed zijn. Op haar hoofd draagt ze een schedel en voor haar gezicht zit een wit masker met rode kruisen op de ogen. Er wordt gefluisterd dat er niets dan pure chaos zit achter het masker en dat je met een aanblik zal sterven; menselijk of niet. Ze haatte nimfen. "Die bloedmooie mannen en vrouwen altijd!" riep ze vaak. Ze gebruikte bewust het woord 'bloedmooie'. Dat komt mooi voor haar een belediging is en lelijk een compliment.

Onyx dacht nog één keer goed na over haar plan om de nimfen te vermoorden en toen sprong ze het lichaam van Christina binnen. Toen ze een spiegel die in haar, of beter gezegd: Christina's zak lag pakte walgde ze al meteen van zich zelf. Wat zag ze er mooi uit! Ze haatte dat. Het liefst zou Onyx zich nu kaal geschoren hebben en zichzelf zo zwaar verminkt dat niemand haar nog herkent. Maar dat kon ze niet doen, dat was te verdacht. Ze zou best wel kunnen uitleggen hoe ze gewond was geraakt, maar dit was godeneiland: je kunt er geen excuus verzinnen om verminkt te blijven. Onyx liep de fabriek binnen, zich bewust zijnde van hoe ze zich moest gedragen. Ze had haar kleren al uitgedaan."Het voelt best vreemd om naakt rond te lopen zonder dat iedereen rondom me sterft", dacht ze. "Hallo, Christina! Je bent vroeg, de middagpauze is nog niet voorbij. Maar als je wilt mag je al aan het werk gaan!" groette Initia haar vriendelijk. Ze lachte naar haar en wandelde naar een plek buiten haar zicht, zodat ze niet door de mand zou vallen. Ze had immers geen idee hoe ze liefdespijlen moest maken.

Even later stroomden de andere nimfen de fabriek weer binnen. Onyx wachtte tot ze van een andere nimf had gezien hoe ze liefdespijlen moest maken. Het bleek heel eenvoudig en rustig te zijn, met genoeg pauzes. Onyx walgde van het blote lichaam van de nimfen. Ze zagen er allemaal zo mooi uit. De mooiste van allemaal was nog de godin Initia zelf, zij was immers de godin van de schoonheid. Bah. Het zou nog wel een paar dagen duren voordat ze kon beginnen met moorden, want ze moest eerst spioneren. Eigenlijk viel het best nog wel mee. Het eten was er dan wel vreselijk lekker, maar toch. Ze had altijd gedacht dat dit Initius' SM-kelder was, maar dat was niet zo. Nimfen hadden nu eenmaal rare gewoontes. Iedereen werd met uiterst respect behandeld en tot Onyx' grote verbazing waren de nimfen, noch Initius geen seksistisch geobsedeerde monsters.

Toen het tijd was om naar huis te gaan draaide Onyx uit onwetendheid rond, want ze wist niet waar ze woonde. "Wat doe je Christina? Kom mee naar ons huis!" zei een nimf. Onyx wist dat ze Kyra heette. "Ja, ik kom!" antwoordde ze en ze volgde Kyra naar haar huis, nadat ze zich vlug had aangekleed. "Hier woon ik dus", dacht Onyx toen ze er aankwamen. Ze had blijkbaar ook nog drie andere huisgenoten. Allemaal meisjes. Nadat Onyx een tijdje op haar bed had gelegen ging ze buiten om een wandeling te maken op Amoreiland waar alle andere nimfen ook woonden.

Even later kwam ze Roos tegen. "Christina, wat doe je hier? Je de dansles gaat zo beginnen!" Onyx dacht even na. "O ja, dat is Roos!" dacht ze. Roos was het mooiste meisje op Initius' vrouwelijke gedaante na. Ze was een halfgod. Dochter van Initius en zijn menselijke vrouw, Aphrodite. "Ehm, ja, bijna vergeten!" zei Onyx. Ze volgde Roos dus maar.

De dansles viel zwaar tegen. Het was buikdansen, trouwens. Alle vrouwelijke nimfen hielden daarvan, maar Onyx had er een hekel aan. Op het einde van de les moest ze een solo doen van Roos die de trainster was. "Christina kan blijkbaar goed buikdansen", dacht Onyx. Niemand anders had ze die les immers een solo zien doen, behalve Roos zelf natuurlijk.

Wordt vervolgd.

Meer informatie over de goden en de nimfen: http://forum.nl.grepolis.com/showthread.php?19781-Nachtwaker&p=933810&viewfull=1#post933810
 
Onyx en de amornimfen - Deel 2

Onyx slikte. Ze zou nu dus een solo moeten doen. Ze zou zeker argwaan uitlokken bij Roos en de andere nimfen, omdat ze nog geen hele les buikdansen had gehad. Maar toch probeerde ze het. Hoewel ze het tegenovergestelde van een buikdansende nimf was, wist ze zich toch sexy te bewegen. Ze hoorde de mannelijke nimfen verderop al naar haar fluiten. Ze keek even naar Roos. Die knikte zachtjes, als teken dat ze het goed deed. Als laatste deed ze een pirouette. Nu begonnen Roos en de andere nimfen wel raar naar haar te kijken. "Heel goed gedaan, Christina. Je hebt mooie precisie in je bewegingen, enkel op het einde iets te veel free style!" zei Roos uiteindelijk. Hierbij was de les gedaan voor vandaag. Gelukkig. Onyx wilde voor de veiligheid nog even aan haar vragen wanneer de volgende les was, maar Roos was al bijna in de verte verdwenen in de armen van Arthur, haar lief. Ze zag alleen nog dat Roos hem nog een kus gaf, voordat ze de hoek om liepen.

Die avond kon Onyx niet slapen. De andere nimfen roddelden over van alles en nog wat. Ze besefte wel dat Christina waarschijnlijk ook altijd meeroddelde, dus zei ze dat ze heel erg moe was. Uiteindelijk kropen de andere nimfen ook in hun bed. Eindelijk viel Onyx in slaap.

De volgende dag was het woensdag, dus men moest maar een halve dag werken. Dat kwam Onyx goed uit, want ze had nog altijd geen plan om de nimfen uit te roeien zonder dat ze door de mand zou vallen. Tot haar grote verbazing kon ze nog niet luieren na het werk in de liefdesfabriek. De nimf Annette, die normaal redelijk ver van haar werkte, zei tegen haar: "Christina, ik heb zojuist je examen van biologie verbeterd en je bent helaas gebuisd. Je zult vandaag om één uur naar de klas moeten komen voor bijles, verdere uren zal ik je dan wel zeggen." Onyx zuchtte. Wat stond haar nu weer te wachten?

Die middag wachtte Onyx om één uur stipt aan de klas van juf Annette. Die kwam een minuut later lachend de deur openen. "Weer zo'n vrolijk type", dacht Onyx. "Goed," begon Annette even later, "ik ga je een paar vragen stellen." Onyx knikte. Ze begon: "Het onderdeel is zoals je al weet het lichaam van de amornimf. Welk geslacht heeft een penis?" Die wist Onyx wel. "Het mannetje", antwoordde ze. "Goed. En welke functie heeft de penis?"
"Het uitscheiden van urine en voortplanting!"
"Nee, voortplanting is fout. Dat gebeurt alleen bij de mens! Zou je ondertussen wel al moeten weten. Wat is de functie van de navel?"
"Die heeft geen functie. Als de navelstreng bij geboren baby's afgeknipt wordt is dat wat er daardoor ontstaat."
"Alweer fout! De functie van de navel is voortplanting! Hoe plant een nimf zich voort?"

Onyx wist hoe het bij de mens gebeurde, maar ze durfde nu niet meer te antwoorden. "Sorry, ik weet het niet", zei ze uiteindelijk. Annette zuchtte en zei: "Als de navels elkaar aanraken ontstaat er een embryo dat op het einde van de zwangerschap pijnloos eruit zal gaan via een portaal in de buik van de vrouw. Wij hebben nog werk aan de winkel, Christina." Annette gaf haar een handboek waar alles over de nimf in opgeschreven stond.

Wordt vervolgd.
 
Onyx en de amornimfen - Deel 3

Die donderdag was het druk in de liefdesfabriek. Onyx werkte hard, maar werd goed behandeld en kreeg genoeg pauzes samen met de andere nimfen. Ze zou waarschijnlijk moeten wachten tot het weekend voor het uitbroeden van haar plannen. Ze had beter van tevoren nagedacht, want als ze nu Christina's lichaam zou verlaten, zou ze natuurlijk alarm slaan bij Initius. Nou ja, haar minachting van nimfen was nog niet erger geworden, dus dat was goed.

Nadat het tijd was om naar huis te gaan, wandelde Onyx op haar gemak naar Amoreiland. Ze was aan het dagdromen, totdat ze plots tegen een jongeman aanliep. Ze keek op en ze zag dat het Arthur was, het lief van Roos. "Sorry, Arthur, ik had beter moeten uitkijken", verontschuldigde ze zich. "Geeft niets," antwoordde Arthur, "ik zie je over een uur op de basketbaltraining!" "Basketbaltraining? Ook dat nog?" dacht Onyx terwijl ze verder wandelde.

Een uur later stond Onyx dus omgekleed in de sporthal van de liefdesfabriek. De meisjes die blijkbaar haar vriendinnen waren groetten haar vriendelijk en Onyx probeerde zich zo normaal te gedragen. Gelukkig was Onyx best goed in basketbal, in tegenstelling tot buikdansen. Waar Onyx ook blij om was, was dat het een meisjesploeg was. Even later kwam coach Arthur de zaal binnen en begon met de training: "Warm jullie eerst vijf minuten op, Amy leidt de opwarming!" Ze liepen de komende vijf minuten dus de lengte van het veld af, terwijl ze Amy's oefeningen nadeden. Geen probleem voor Onyx. Na de opwarming zei Arthur dat dit een fysieke training ging worden. "Perfect!" dacht Onyx. Ze was immers fysiek heel sterk. Alles verliep voor haar dus goed, zelfs de stabilisatie, tot tien minuten voor het einde van de training. "Goed gedaan, meisjes! Dan gaan we nu de laatste tien minuten een wedstrijdje spelen!" zei Arthur. Onyx dacht dat dit ook wel goed ging gaan, maar o, wat had ze het mis. Blijkbaar mochten nimfen vliegen bij basketbal. Onyx' oorspronkelijke gedaante kon wel vliegen, maar als nimf kon ze het niet, want dat was heel anders. Ze stelde zich dus vooral centraal op om belangrijke passen te geven. Tot net voor het einde van de training. "Christina, vang!" riep Ilja die in haar team zat, terwijl ze de bal zo gooide dat het de bedoeling was dat Onyx omhoog vloog, de bal ving en dunkte. "Ik moet dit proberen!" dacht Onyx. Ze fladderde met haar vleugels en vloog omhoog, maar toch onderschatte ze het vliegen als nimf nog steeds. De bal vloog over haar heen, maar ze gaf nog niet op. Ze probeerde achterwaarts en ondersteboven nog achter de bal aanvliegen, maar dat liep niet goed af. Ze vloog een halve meter over de bal, botste tegen de plaat waar de ring aanhangt en vloog toen door de klap zelf door de ring. De andere nimfen lachten hard, maar op een vriendelijke manier. "Wat een rotdag", dacht Onyx. Op dat moment zei Arthur dat de training voorbij was.

Nadat Onyx zich gedoucht had (waar ze ook een hekel aan had), wandelde ze naar buiten, in de hoop op wat rust. Jammer, dat ging niet lukken. Ze zag dat er een jongensnimf naar haar toe wandelde. "Christina, wacht!" riep hij. Toen pakte ze haar hand vast en ging op zijn knieën zitten. Onyx herinnerde zich dat het Jonas was. Hij ging verder: "We kennen elkaar al heel lang en ... ik ben verliefd op je! Al vanaf het moment dat ik je tegenkwam wist ik dat je de ware voor mij was. Wil je morgen met me trouwen?" Onyx wilde net op haar allergemeenst "Nee!" zeggen, toen haar gedaante opeens de woorden "Ja, heel graag!" antwoordde. Hierna kuste Jonas Christina's lippen en verdween. Nog even zwaaide Onyx' nimfelijke gedaante. Onyx begreep dat dit mentaal verzet was van Christina. Ze wilde vast niets liever dan met hem trouwen. "Wat moet ik nu weer doen?" dacht Onyx.
 

Wolfswar

Gast
Allemaal leuke verhaaltjes hier! Ik heb er vele met plezier gelezen.

Ik heb ook een vraagje, mag je hier ook in het Engels posten? Normaliter schrijf ik in het Engels namelijk. Anders kan ik ook eens wat posten ;)
 
Allemaal leuke verhaaltjes hier! Ik heb er vele met plezier gelezen.

Ik heb ook een vraagje, mag je hier ook in het Engels posten? Normaliter schrijf ik in het Engels namelijk. Anders kan ik ook eens wat posten ;)
Sorry, maat, maar Nederlands is hier de voertaal. Zeer origineel van je dat je in het Engels schrijft, maar dat zou zeer vervelend zijn voor sommigen om te lezen. Niet iedereen kan immers goed Engels.
 

Wolfswar

Gast
Dan zal ik eens proberen wat in het Nederlands te fabriceren ;) Dankjewel voor de snelle reactie.
 
Onyx en de amornimfen - Deel 4​

De volgende ochtend stonden Onyx' hersenen in rep en roer. Wat moest ze nou doen? Christina ging vandaag met Jonas trouwen, maar als dat zou gebeuren, zou ze zeker door de mand vallen. Onyx begreep dat er maar één ding op zat: uit Christina's lichaam springen en maken dat ze wegkwam. Net toen ze dat wilde doen kwam Initia de kamer binnen. "Goedemorgen, Christina? Ik kom je helpen met voorbereiden op je huwelijk!" zei ze. In gedachten draaide Onyx met haar ogen. Dit ging goed fout.

Na de middag was het eindelijk tijd voor Christina's huwelijk met Jonas. De geest van Onyx had nog nooit zo hard gezweet. En daarmee bedoel ik ook echt haar geest, want ze zit niet in haar originele lichaam, dus kan ze ook niet fysiek zweten. In dit geval een voordeel. Wat moest ze toch doen? Straks ging haar plan helemaal de mist in en was ze een soort van getrouwd met een bloedmooie nimf (Onyx' manier van schelden, weten jullie nog?).

Onyx piekerde en piekerde, maar ze kwam niet tot een oplossing. Op dat moment waren nimfen geleid door Roos aan het buikdansen ter ere van het huwelijk. Maar dat was uiteindelijk ook gedaan. "Goed gedaan, lieve schat van me!" zei Arthur vol trots tegen haar toen terug naast naar kwam zitten, en hij gaf haar een dikke kus. Onyx zag het en walgde bijna. Nu was het tijd voor het huwelijk. Onyx en Jonas kwamen naar voren, de ringen waren al uitgewisseld, dus ze stonden er nu helemaal alleen. Op Initius na dan, die speelde de 'priester'. Initius zei: "Jonas, wil jij Christina tot je vrouw nemen, haar trouw zijn en haar steunen en liefhebben in goede en in kwade dagen?" "Ja!" antwoordde Jonas vastberaden. Toen Initius dezelfde vraag aan Christina had gesteld, wist Onyx echt niet meer wat ze het moest doen. Dus ze ging het er maar op wagen. Ze sprong uit het lichaam van Christina, die meteen flauwviel op de grond. Iedereen keek vol verbazing naar haar. Gelukkig had ze haar masker op. Initius schoot echter meteen in actie. Onyx was immers zijn grootste aartsvijand. Het was een zwaar gevecht tussen de god van de liefde en de god van de chaos, maar toen schoten Initius' mannelijke nimfen hem te hulp. Meteen vuurden ze hevige pijlenregens op haar af. Initius had er geen last van, want als god van de liefde was hij immuun voor pijlen, net als nimfen (denk aan Cupido, die schiet ook pijlen af). Onyx echter liet veel van haar onsterfelijk bloed vloeien. Ze vluchtte uiteindelijk weg. Iedereen juichte van opluchting.

Jonas liep meteen na het gevecht naar zijn bruid toe. Hij kuste haar op haar wang en ze deed haar ogen langzaam open. "Christina, wil jij met mij trouwen?" vroeg Jonas. "Ja!" zei Christina sterk, nadat ze was rechtgestaan. Het antwoord was zo duidelijk dat Initius de vraag niet meer hoefde te herhalen. "Dan verklaar ik jullie nu tot man en vrouw!" riep hij. Christina en Jonas kusten elkaar hevig op de mond, wel een minuut lang. Die dag werd er lang gefeest.

Dit is dus het einde. Graag hoor ik jullie mening over deze reeks!
 
Zolang je m'n naam volgende keer niet gebruikt :s

Het is niet echt mijn type verhaal, maar vrij oké geschreven denk ik...
 

Wolfswar

Gast
Ik word gek
Het knaagt aan mijn geweten, het vreet me op van binnen. Ik weet niet wat ik moet doen of denken, ik voel er gewoon niks meer voor. Overdag droom ik weg en lijkt dat de realiteit te zijn, maar als ik eenmaal met mijn hoofd erbij ben, lijkt dat de droom te zijn. Ik leef in een wereld waar een droom de realiteit lijkt en de realiteit de droom.
Uren zit ik wel eens voor me uit te staren, diep in mijn gedachten verzonken. Nadenkend over het leven, mijn leven. Wat moet ik met het leven als ik niet eens meer weet wat echt is en wat niet? Wat moet ik doen in deze droom als het de realiteit is?
Ik kan niet eens meer fatsoenlijk nadenken, want mijn geweten dwaalt af. Het dwaalt af naar een wereld, een wereld zoals ik haar wil, een wereld waar ik thuis ben, een wereld waar ik geliefd ben en niet een ziel die nergens bij hoort, want In de echte wereld hier beneden lijkt het alsof ik niet besta.
Ik probeer mijn hoofd te genezen, maar ik weet het niet. Ben ik wel wie ik ben of ben ik wie ik niet ben? Mensen zien mij niet staan en verklaren me voor gek, voor welke reden dan ook, en daar ga ik weer. Op weg naar de realiteit in mijn droom, dat is mijn droom.
Was ik maar daar, was ik maar niet zo warrig in mijn gedachten, wist ik maar mijn doel in dit leven, wist ik maar wat ik moet betekenen, had ik maar iemand. Iemand om mee te praten. Iemand die me begrijpt.
Het knaagt en knaagt en soms wil ik gewoon schreeuwen totdat mijn longen kapot zijn. Kapot van alle trillingen en de schurende lucht. Was ik maar af van deze gedachten en wist ik maar wat wat was.
Was ik maar dood.
Was ik maar weg uit deze droom van realiteit en kon ik maar plaats nemen in de realiteit die ik koester. De realiteit in mijn hoofd, al is die misschien niet zuiver.
Zuiver, soms hoop ik dat ik normaal was. Normaal zoals de rest. Geliefd, een familie en rust. Rust in mijn hoofd. Ik zoek, maar niemand ziet me staan. Niemand wil mij.
Regelmatig kom ik huilend thuis en dan stort ik in. Ik gooi de deur met een dreun dicht en ik stort in. Gewoon daar, op de deurmat. Wachtend totdat iemand me komt troosten, maar ik weet dat dat nooit zal gebeuren. Ik ben niet geliefd, ik was geliefd voordat mijn ouders heen gingen en een beter leven gingen leiden, een leven in mijn realiteit, of was het mijn doorm?
Zijn mijn ouders nu gestorven, of heb ik ze gewoon niet meer, of nooit gehad? Ik zou het niet weten en het knaagt, het knaagt aan mijn hoofd.
Het vreet me op van binnen en ik ben het zat. Ik moet weten wat echt is en wat niet, ik moet weten of ik droom of dat ik gewoon gek ben, niet wetend wat wat is.
Ik moet en zal dood zijn. Ik moet de laatste reis van mijn leven maken. De reis heen. De reis naar wat dan ook.
Het leven lijden en leiden, zo’n groot verschil maar ook weer niet.
Ik ben het zat. Zat om te leven, om te lijden. Ik wil het leiden, ik moet en zal. Al is het het laatste wat ik doe en dat zal het voor mij zeer zeker zijn.
Vaarwal droom, Vaarwel wereld.​
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik

kaart

Inhoud

Hoofdstuk 1: Gevallen stad
Een koele oosterwind waait over de eindeloze weilanden van Wesroth en vervolgt zijn weg door de steegjes van Razoth, de hoofdstad van dit continent. De kleurrijke bladeren op de grond worden weggeblazen en laat de windbellen die aan de huizen in de stad hangen doen rinkelen. Het klinkt vrolijk, maar het brengt tegelijkertijd ook een akelige sfeer met zich mee. Vooral omdat naast het fluiten van de wind het helemaal stil is in de stad. Mens noch dier bevindt zich in de straten. En dat terwijl het midden op de dag is. Alle deuren zitten op slot en de ramen zijn dichtgespijkerd. Al bij al lijkt het eerder op een spookstad dan op een stad dat het eigenlijk is. Maar dit alles heeft een goede reden en geen inwoner die zich ergert aan de stilte. Zolang ze maar veilig binnen zitten. Enkele uitzonderingen die niet veilig binnen zitten hebben zich zo goed mogelijk proberen te verstoppen en wachten in stilte af. Dagarik is zo’n uitzondering. Ingepakt met oude doeken zit deze jongen verscholen onder een brug in de stad. Ook hij weet wat er gaat komen en kijkt met angstig om zich heen, vanuit zijn kleine, bruine ogen die half verstopt zitten achter zijn donkerbruine, slierterig haar dat nu zo lang en vet is dat de natuurlijke krullen nauwelijks meer zichtbaar zijn. In het begin ergerde hij zich nog aan het feit dat zijn haar telkens voor zijn ogen viel. Maar merkt hij het nauwelijks meer. Al zijn aandacht gaat uit naar de straat voor hem, die er nu nog zo rustig en vredig bij ligt. Maar de spanning is bijna te proeven. Alle zintuigen van Dagarik staan op scherp. De hel kan elk moment losbarsten. Op elk moment kunnen de soldaten verschijnen. De Sari. Hij heeft bijna altijd al een hekel aan ze gehad. En dat komt niet alleen door zijn verleden.
Plotseling verdwijnt de stilte in één klap door een harde knal. Wat volgt is een oorverdovende zoem in de oren van Dagarik. Kuchend komt hij onder de brug vandaan. Alles om hem heen is wazig en met moeite komt hij overeind. Hij wrijft in zijn ogen en ziet inwoners van Razoth zijn kant op stormen. Hij wordt met schrik overvallen, draait zich om en rent in dezelfde richting als waar de menigte naartoe vlucht, waarheen dat ook zou mogen zijn. Waarschijnlijk de richting weg van de invallers. Dagarik rent zo hard als zijn verwarde geest en blote voeten het toelaten, maar wordt van links en rechts ingehaald door de menigte, met de nodige duwen en stoten van toepassing. Dagarik wurmt zich uit de stoet en komt in de kantlijn tot stilstand. Hij draait zich weer om, wrijft in zijn ogen en ziet nu hoe zwarte rookpluimen boven de daken uitsteken. Zijn gehoor komt ook weer terug en hij hoort het zoeven van enorme projectielen door de lucht en het huilen van vrouwen en kinderen.
Al gauw heeft hij spijt dat is heeft besloten stil te staan, want voor hij het door heeft landt een nieuwe brandbom vlak naast hem. Dagarik wordt door de lucht geblazen en belandt meters verderop weer op de grond. Kreunend krabbelt hij weer overeind en recht hij zijn rug. Gedesoriënteerd kijkt hij om zijn zich heen, zoekend naar een uitweg. In de verte ziet hij de stadsmuur die nog heel is. Die kant moet hij op. Daarachter ligt het bos en de uitweg. Hij haast zich in die richting, als zijn concentratie wordt verstoord door een huilende baby. Hij zucht en stopt met rennen. Hoe graag hij ook de stad wilt uitvluchten, zijn geweten staat het niet toe die baby achter te laten. Die zal dan omkomen door de brand of meedogenloos worden gedood door de Sari.

Hij spitst zijn oren en volgt het gekrijs. Zweetdruppels breken uit op zijn voorhoofd. Dat komt vooral omdat hij terug moet gaan, weer dieper de stad in en dichter bij de invallers. Maar hij probeert zijn gedachten op non-actief te zetten en alleen het geluid te volgen. Uiteindelijk komt hij bij een huis dat in lichterlaaie staat. Hij raapt al zijn moed bij elkaar en betreedt het pand. Dagarik wordt binnen verwelkomd door een vlammenzee. De brand is blijkbaar erger dat het van de buitenkant leek. Gelijk beginnen zijn hersenen te protesteren en hem wijs te maken dat hij weg moet. Hij kucht een aantal keer en loopt verder, die gedachten negerend. Halverwege staat hij weer stil om tijd te nemen of hij de baby nog hoort. Ja, gelukkig. Het is boven ergens. En zo zoekt hij naar een trap, zijn gezicht half bedekt in de elleboogholte zijn linkerarm, terwijl hij zijn andere arm gebruikt om een weg door de brandende brokstukken de banen. Zo vindt hij de trap, die gelukkig van steen is. Hij rent omhoog en neemt opnieuw de tijd om om zich heen te kijken, om daarna het geluid van de baby in nood te volgen.
Dagarik komt aan bij de desbetreffende kamer van de baby. Echter is de deur op slot. Hij rammelt een aantal keren aan de deurknop die tot zijn opluchting nog wel koel is. Maar er is geen beweging in te krijgen. Vervolgens bukt hij en kijkt hij door het sleutelgat, om te zien of daar nog iemand anders is. Maar er zit iets voor. Waarschijnlijk is het de sleutel zelf die vanaf de andere kant nog in de deur zit. Dagarik kijkt peinzend om zich heen. Er moet toch iets zijn om die deur open te krijgen? Het denken lukt helaas niet goed met de angstige kreten van de baby op de achtergrond. ,,Heb geduld,” roept Dagarik naar de baby, in de hoop het te kunnen kalmeren. Het valt hem op dat zijn stem erg schor klinkt. Niet verwonderlijk na al die giftige rook die hij ondertussen heeft ingeademd.
Hij slaat zich op zijn hoofd. Laat je niet afleiden, zegt hij tegen zichzelf. Blijf gefocust. Hij loopt de gang in nadat hij ziet dat een andere deur op deze verdieping wel open is. Misschien kan hij via die kamer wel in deze kamer komen. Maar helaas, de kamer heeft geen andere deuren. Hij kijkt of er misschien nog iets nuttigs ligt. Plotseling wordt hij overladen door een koude rilling die door zijn hele lichaam trekt. Vastgenageld aan de grond kijkt hij naar het levenloze lichaam dat op de grond licht, half verbrand met een ingestorte muur op zich. Het ziet er akelig uit en Dagarik wil er zo snel mogelijk van weg, maar ziet dat de man een grote bijl voor zich heeft liggen, enkele centimeters van zijn uitgestrekte arm vandaan. Perfect. Daarmee moet het lukken de deur in te slaan.
Met veel moeite tilt hij het zware voorwerp van de grond en doorkruist hij de gang weer. ,,Ik kom eraan,” reageert Dagarik, als het gekrijs weer luider wordt, ,,Niet schrikken. Ik kom je helpen!” Hij spuugt het laatste beetje vocht in zijn droge mond op zijn handen en grijpt de bijl, om die met alle kracht die hij heeft tegen de deur aan te smijten. Wat volgt is een doffe klap. Teleurstellend. Maar Dagarik geeft het nog niet op. Hij trekt de bijl weer uit het hout en waagt een tweede poging. Er verschijnt een klein glimlachje op zijn gezicht als hij het zachte geluid van krakend hout hoort. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd en begint opnieuw in het hout te hakken, totdat hij zijn evenwicht verliest en met de bijl door de deuropening valt. Dagarik komt overeind en ziet een box voor zich staan, met een kleine baby erin. De baby heeft slechts een doek om zijn middel heen gewikkeld en ligt met armen en benen in de lucht spartelend te huilen. Zonder na te denken grijpt hij de baby met beide armen en holt de kamer uit, de gang op, als plotseling brandende balken voor hem neerstorten en de weg naar de trap versperren. Dagarik weet nog net op tijd af te remmen, maar het lukt hem niet te voorkomen dat hij wordt ingesloten. Angstig kijkt hij om zich heen en beseft dat hoe langer hij wacht, hoe kleiner de kans wordt om te ontsnappen en dat de baby in leven blijft.

Er lijkt nog maar één optie te zijn. Hij slikt. Dit wilde hij koste wat het kost vermijden, maar hij kan het leven van een baby daarvoor niet laten gaan. Hij sloot zijn ogen en bereidt zich mentaal voor. Voor de sprong. Letterlijk. Hij opent zijn ogen, haalt diep adem en zet het op een lopen, richting de slaapkamer van de baby en springt dwars door de ruiten. Eventjes lijkt de tijd stil te staan. De gedachten van Dagarik gaan als een wilde tekeer door diens hoofd voordat hij met een harde klap op de grond terecht komt. Hij kermt het uit van de pijn. Al zijn botten moeten gebroken zijn. Ondanks de helse pijn lijkt Dagarik er niet veel aandacht aan te besteden. In plaats daarvan opent hij zijn armen en haalt opgelucht adem als hij ziet dat de baby nog leeft. Maar de baby zit wel onder de brandwonden. Dagarik legt hem voorzichtig op de grond, krijgt het voor elkaar zelf in kleermakerszit ernaast te zitten en legt een hand op de baby en sluit zijn ogen. Magischer wijs verdwijnen de wonden op de baby. Ze verdwijnen gewoon! Enkele tellen later komt Dagarik overeind, pakt de baby en staat op alsof er niks is gebeurd. En daarna rent hij de stad uit alsof hij niks mankeert.
Dagarik komt in het bos en kijkt om zich heen. Het is er helemaal verlaten. Waar waren de andere vluchtelingen? Die zijn toch ook het bos in gevlucht? Waarschijnlijk was hij zo lang bezig met het redden van de baby dat de rest al kilometers verderop is. Dagarik zucht. Hij had stiekem gehoopt dat de moeder van dit kind aan de rand van het bos stond te wachten en hij het aan haar kon geven. Nu zit hij nog opgescheept met de baby. Nee, zo mag je niet denken, spreekt Dagarik zichzelf toe. Ik moet het kind verder in veiligheid brengen.. Met het kind in de armen rent hij het bos in. Hij zal vanzelf wel een veilige plek vinden. Zolang hij maar niet hier blijft. Maar nog voordat hij helemaal tussen de dichtbegroeide bossen verdwijnt, werpt hij een laatste blik naar de stad die in rook lijkt op te gaan.

De avond valt en de zon verdwijnt al vroeg achter de grote bergen in het westen. En het bladerdak laat ook weinig zonlicht door, waar het al gauw pikkedonker wordt in het bos. Gelukkig is er een groot pad midden in het bos die Dagarik kan volgen en zal hij niet zo snel over takken op de grond struikelen. Maar verdwaald of gewond raken is niet zijn grootste zorg. Zijn grootste zorg ligt namelijk tussen zijn armen: het huilende kind dat deze dag nog geen druppel heeft gedronken en geen kruimel heeft gegeten. Het begint dan ook steeds zwakker te worden en het huilen sterft af. Ergens is Dagarik daar wel blij mee. Hij begon bijna te denken dat hij doof begon te worden. Maar hij hoort nu weer de geluiden die bij een bos horen: uilen, wind en het geritsel van bladeren. En niet te vergeten het gejank van wolven. Wacht, wat? Dagarik kijkt angstig om zich heen. Heeft hij dat goed gehoord? Beeldt hij zich dat niet in? Nee, het is overduidelijk. En het is ook duidelijk dat iets zijn kant op komt. Hopelijk toch niet de wolven? Toch wel! Dagarik hoort het grommen van de beesten luid en duidelijk. Vluchten heeft geen zin, dus hij wacht af. Hij blijft kalm staan terwijl een wolf vanuit de duister voor hem verschijnt en onder luid gegrom op Dagarik afstormt. Hij knijpt zijn ogen stijfdicht en blijft afwachten, tot het moment bij Dagarik aankomst. ,,Ho, rustig, Irath!” klinkt een onbekende stem plotseling, ,,Af. Ja, goed zo. Brave jongen.” Voorzichtig opent Dagarik zijn ogen nadat het gegrom voor zijn neus is omgeslagen in hijgen. Hij ziet het hoofd van de wolf vlak voor hem. Als die wolf een stap naar achteren doet, ziet Dagarik een stevig gebouwde man van gemiddelde lengte met lang, bruin haar. Hij heeft een baard van enkele weken oud en is gekleed in oude doeken en in de vacht van een wolf. ,,Dit is geen Sari en al helemaal geen soldaat van Ryar,” concludeert de man die tegen zijn wolf praat. Daarna keert hij zich tot Dagarik: ,,Excuses van mijn wolf. Nog een fijne dag verder.” Hij draait zich om, wuift naar de wolf en loopt weg. ,,Wacht,” roept Dagarik, ,,Is dat het? Je bent niet van plan mij te helpen?” De man kijkt draait zich om, kijkt Dagarik verbaasd aan en haalt zijn schouders op. ,,Moet ik dat dan?”
,,Ik weet niet wie jij bent, maar ik ben een verdwaalde vluchteling uit de stad Razoth en loop hier met een baby die op het punt staat om te gaan van de honger,” roept Dagarik verontwaardigd, ,,Dus ik zou het erg waarderen als jij zou kunnen helpen.” De man lijkt na te denken. ,,Waar zijn jullie ouders?”
,,Wat?” Dagarik kijkt hem vragend aan, ,,Onze ouders? Wij zijn geen familie. Ik heb deze baby gered uit een brandend gebouw!” De man strijkt met zijn hand over zijn gezicht en er valt een korte stilte, waarin Dagarik hem smekend blijft aankijken. ,,Goed,” besluit de man uiteindelijk, ,,Kom maar met me mee.” Dagarik laat hem dat niet nog een keer zeggen en springt overeind. ,,Wat is jouw naam?” vraagt de man, nadat Dagarik naast hem is komen lopen. Nadat Dagarik antwoord heeft gegeven, stelt de man zichzelf voor als Gar’Dal, ,,En dit is mijn wolf, Irath.” Dagarik geeft een klein glimlachje naar de wolf, nadat die opkeek na het horen van zijn naam.
Een klein halfuur verder komt het duo aan bij de woning van Gar’Dal. Het is een kleine hut die met takken en bladeren is gecamoufleerd. Dagarik had dan ook pas door dat ze er waren nadat Gar’Dal de deur open deed. ,,Goed, hier leef ik dus,” zegt hij bij binnenkomst, ,,Zoals je ziet is er niet veel ruimte, maar het moet wel passen. Jij bent immers ook maar een klein kereltje.” Dagarik weet er een schampere grijns van af te brengen. Maar zijn aandacht gaat uit naar het kleine kindje die hij nog steeds vol zorg tegen zich aan houdt gedrukt. ,,Heb je hier ergens eten en drinken?” vraagt Dagarik. Gar’Dal knikt en haalt een kommetje tevoorschijn. ,,Het is alles wat ik heb op het moment,” antwoordt de man, ,,Ik was dan ook vanavond op pad om te gaan jagen. Maar goed. Het moet genoeg zijn voor dit kindje.” Gar’Dal buigt zich over het kindje en probeert het te voeden. Dagarik kijkt nieuwsgierig toe en slaakt een zucht van opluchting nadat het kindje weer in beweging komt. Dagarik roept het uit van vreugde, wat volgt dat het uitgeputte kindje begint te krijsen en Gar’Dal een chagrijnige blik naar Dagarik werpt. ,,Ga jij maar slapen, dan verzorg ik deze baby wel,” zegt Gar’Dal en wijst naar het hoopje dekens ergens achterin de hut, ,,Oké,” zegt Dagarik twijfelend, ,,Maar waar slaap jij dan?”
,,Ik verzin wel iets. Hoe dan ook, zolang de baby blijft krijsen zal ik toch geen oog dicht kunnen doen.” Dagarik grijnst en zoekt vervolgens de slaapplek op. Het lijkt hem zelf ook moeilijk te gaan slapen, maar nadat hij eenmaal ligt, valt hij gelijk in een diepe slaap.
 
Laatst bewerkt door een moderator:

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht

Hoofdstuk 2: Gar’Dal
Noroth. Esroth. Saroth. Wesroth. Nog niet zo lang geleden leefden de vier naties in vrede samen. Maar alles veranderde toen de Sari aanviel. Alleen de halfgoden, zonen en dochters van de goden, konden hen stoppen. Maar toen de wereld ze het meest nodig had, maakten ze foute keuzes. Enkele weken gingen voorbij en het koninkrijk van Saroth is steeds groter geworden. Hun doel op wereldoverwinning komt steeds dichterbij. Telkens als ze een stad succesvol hebben veroverd. Telkens als ze hun vijandelijke steden afbranden. Brand. Overal is vuur. Hij is omsingeld! Dagarik schiet bezweet overeind en komt op adem als hij realiseert dat het slechts een droom is. Hij kijkt om zich heen en moet even de tijd nemen om te bedenken dat hij in de hut van Gar’Dal is. Vervolgens kijkt hij naar zichzelf. Hij plakt helemaal van al het zweet. Hij krijgt nu pas door dat zijn kleding zwaar is verbrand door de reddingsoperatie gisteren. Blijkbaar heeft hij gisteren zo schaars gekleed als hij er nu bij ligt door de bossen gebanjerd. Dagarik wrijft de slaap uit zijn ogen en stapt uit bed. Waar is Gar’Dal? En waar is de baby?! Dagarik rent door de hut en schiet naar buiten. Daar ziet hij de man met de baby. Opmerkelijk genoeg heeft Gar’Dal ervoor gekozen een wieg voor de baby buiten te maken. In deze kou! Dagarik wilde het hem bijna toesnauwen dat dat niet kan, maar Gar’Dal merkt hem al op en kalmeert hem non-verbaal. ,,Niet gaan schreeuwen,” fluistert hij tegen Dagarik, ,,Je moet de baby niet wakker waken.”
,,Waarom ligt de baby buiten?” sist Dagarik zachtjes, op verontwaardigde toon.
,,Rustig, ik heb pas sinds vanochtend de wieg buiten gezet,” antwoordt Gar’Dal, ,,Ik heb geen zin dat mijn hut straks onder de poep zit. En kijk maar, de baby lijkt het niet koud te hebben.” Dagarik buigt over de wieg en ziet hoe de baby er vredig bij ligt. Er verschijnt een liefdevolle glimlach op Dagariks gezicht. ,,Weet je, we hebben het telkens over ‘de baby’ of ‘het kind’,” zegt Dagarik, ,,We zouden het een naam moeten geven. Maar is het eigenlijk een jo…”
,,Jongen,” onderbreekt Gar’Dal en wordt vervolgens raar aangekeken door Dagarik, ,,Wat? Het lukt mij echt niet om zijn stinkende broekje te verschonen zonder te kijken.” Dagarik staat versteld. Op de een of andere manier weet Gar’Dal hoe hij voor een baby moet zorgen. Maar Dagarik durft het hem nog niet te vragen hoe hij aan die kennis komt. Dat komt later wel aan bod. Hopelijk begint hij er zelf een keer over. Dagarik kijkt weer naar de baby. ,,Dus, hoe zullen we hem noemen?”
,,Dalar,” zegt Gar’Dal besluitvaardig, ,,Ik zou hem graag Dalar willen noemen. Die naam betekent veel voor me.” Dagarik knikt. Het maakt hem niet veel uit. En zelf kan hij niet zo snel een naam bedenken. ,,Dalar,” herhaalt Dagarik zachtjes en glimlacht nogmaals naar de baby. Op dat moment stapt Gar’Dal van de wieg af, ,,Wat ga je doen?” vraagt Dagarik.
,,Eten halen. Ik heb niets meer in huis,” Gar’Dal verdwijnt korte tijd in de hut en komt terug met een boog en koker vol pijlen op zijn rug. Hij fluit en zijn wolf verschijnt uit de bossen. Vervolgens wendt hij zich tot Dagarik en zegt hij tot slot: ,,Zet jij de wieg zo weer binnen?” Niet wachtend op een antwoord loopt de man de bossen in. Dagarik kijkt hem na tot hij Gar’Dal niet meer kan zien of horen. Dan loopt hij opnieuw naar de baby toe en tilt de geïmproviseerde wieg op, gemaakt van takken, bladeren en doeken. Nadat hij de wieg binnen heeft neergezet, kijkt Dagarik naar de slapende baby. Hij herinnert hoe Dalar erbij lag in dat brandende huis. Helemaal in paniek. Geen ouders, geen huis. Plotseling realiseert hij iets. Dalar zat in een kamer waar verder niemand was, maar toch was de deur van binnenuit op slot gedaan! En alle muren en ramen waren ook heel, dus het kon niet zo zijn dat een eventuele moeder naar buiten is gevallen of gevlucht. Maar hoe kan het dan? Dagarik krabt zijn hoofd. Hij heeft waarschijnlijk een ander detail over het hoofd gezien. Het was immers een stressvolle situatie en dan ziet men niet zo veel. Dus Dagarik laat het rusten.

Een klein uur later verschijnt Gar’Dal weer in de hut en hij heeft een everzwijn over zijn schouders hangen. Hoe onsmakelijk het met bloed doordrenkte dier er ook uitziet, toch begint Dagariks maag te rammelen bij het zien van het wilde varken. ,,Kan jij vuur maken?” is het eerste wat Gar’Dal tegen Dagarik zegt. Dagarik schudt zijn hoofd, ,,Kan je dan dit zwijn bereiden?” Dagarik schudt opnieuw. Gar’Dal laat een geërgerde zucht horen en zegt: ,,Als je bij mij wilt blijven, moet je wel nog heel veel leren.”
,,Laat me jou dan helpen,” biedt Dagarik aan, maar Gar’Dal ziet daar niks van in. ,,Nee, we hebben nu haast. Ik leer het je wel een andere keer.” Dagarik knikt en kijkt toe hoe Gar’Dal de hut uit verdwijnt. Even later komt Dagarik hem achterna. ,,Wat?” vraagt Gar’Dal, nadat Dagarik enkele seconden achter hem staat. ,,Heb je ergens een plek waar ik kan plassen, of mag ik een willekeurige boom opzoeken?” vraagt Dagarik en de man antwoordt dat de laatste optie prima is. En zo, nadat alles een beetje op gang is gekomen en het eten klaar is, begint het gesprek tussen Gar’Dal en Dagarik: ,,Vertel eens wat meer over jezelf,” zegt Gar’Dal, ,,Jij zegt dat je uit Razoth komt, maar je ziet er niet uit als een doorsnee Wesri.” Dagarik kijkt enkele seconden weg. Hij kan niet goed vertellen wie hij werkelijk is. Zeker niet tegen deze persoon die hij nog geen dag kent. ,,Ik ben zo lang ik me kan herinneren een wees die is opgegroeid in de straten van Razoth,” liegt hij, ,,Dus ik ben inderdaad geen doorsnee Wesri, maar ik ben er wel eentje.” Gar’Dal knikt zonder wat te zeggen en staat daarna op en mompelt dat hij een boom gaat opzoeken. Maar Dagarik heeft zo het vermoeden dat Gar’Dal het ziet aankomen de vraag teruggekoppeld te krijgen en dat die ook niet graag over zijn verleden vertelt. Maar Dagarik neemt hem niks kwalijk. Hij blijft alleen om het vuur zitten waarboven het varken aan een spit hangt. Genietend van het sappige vlees staart Dagarik naar het vuur, als zijn ogen plotseling vallen op de sierlijke dolk die in het vlees is gestoken. Dagarik draait zich om, om te checken of Gar’Dal nog weg is en pakt voorzichtig de dolk. Het ziet er scherp en gevaarlijk uit. In het hout van de dolk staat in de ene kant de naam van de man geschreven. Hij draait de dolk om en daar staat ‘Meester van Onzichtbaarheid’. Wat zou dat betekenen? Misschien was Gar’Dal wel een elitekrijger van koning Ryar. Dagarik herinnert vervolgens wat Gar’Dal tegen zijn wolf had gezegd toen die op het punt stond Dagarik aan stukken te scheuren. Gar’Dal had toen gezegd dat Dagarik geen Sari was en ook geen soldaat van Ryar. Had Gar’Dal een soldaat van koning Ryar dan wel laten opeten? Dagarik wordt uit zijn gedachtestroom gehaald door het naderende geluid van Gar’Dal. Snel steekt Dagarik de dolk weer in het vlees en doet alsof er niks aan de hand is. Gar’Dal neemt plek rond het vuur en er ontstaat een ongemakkelijke stilte. Gar’Dal kijkt Dagarik aan. Die merkt het en kijkt terug. ,,Wat?” vraagt hij. Hij voelt zich erg benauwd, maar probeert nonchalant over te komen. ,,Ben je niet benieuwd naar mijn verleden?” vraagt Gar’Dal. Dagarik knikt en Gar’Dal begint met vertellen: ,,Ik ben net zoals jij een wees en opgegroeid in Razoth. Gelukkig had een vriendelijke wapensmid mij geadopteerd. Je kan zijn naam wel raden.”
,,Meneer Zwaard?” gokt Dagarik onnozel en Gar’Dal slaat zijn hand op zijn voorhoofd en zucht. ,,Denk aan de baby,” zegt hij vervolgens en het begint nu bij Dagarik te dagen, ,,Dalar betekende alles voor mij. Hij heeft me zo een beetje alles geleerd wat ik nu kan. Echter heeft Ryar hem vermoord. Alleen omdat wij de belasting niet konden betalen.” Dagariks mond valt wijd open en met zijn handen bedekt hij het. Niet te geloven hoe wreed die man kon zijn. Dagarik kende Ryar. Dagarik heeft zelfs een aantal dagen in zijn paleis doorgebracht. Maar dat hoort allemaal bij het verleden waar hij niet over wilt praten. ,,Dus sindsdien heb je een hekel aan Ryar?” vraagt Dagarik en Gar’Dal knikt. Dagarik denkt na op hij durft te vragen over die dolk. Hij raapt zijn moed bij elkaar en begint voorzichtig: ,,Maar is het echt dat Dalar alleen om die reden is vermoord?” Gar’Dal kijkt hem verbaasd aan: ,,Hoe bedoel je?”
,,Ik zag je dolk. ‘Meester van Onzichtbaarheid’ stond daarop,” legt Dagarik uit, ,,Was jij een elitesoldaat van Ryar en ben je gedeserteerd?” De man begint te lachen. ,,Ik moet zeggen dat je slimmer bent dan je lijkt,” antwoord Gar’Dal, ,,Maar nee, dat is niet zo.”
,,Waar duidt die titel dan op?”
,,Zoals ik al zei is Dalar vermoord omdat hij de belasting niet kon betalen. We waren dan ook erg arm en we hadden ook niet genoeg geld om eten te kopen. Dus moet ik elke dag op jacht,” vertelt Gar’Dal, ,,En ik kon met pijl en boog elk dier vangen, omdat ik ze kon verassen en met scherp schoot. En dankzij het feit dat ik ze kon verassen dank ik mijn titel als ‘Meester van Onzichtbaarheid’.”
,,Dus geen elitesoldaat?” Gar’Dal schudt al lachend zijn hoofd en Dagarik glimlacht terug. Hij is blij dat hij er toch over is begonnen. Anders had hij binnen twee dagen een heel complottheorie bedacht.

De avond valt weer vroeg vandaag. Zelfs nog iets vroeger dan gisteren. De winter komt er dan ook aan, weet Dagarik. Dat is ook de reden dat Gar’Dal, ondanks dat ze nog vlees genoeg hebben, weer gaat jagen. Ze hebben een grote voorraad nodig om de winter door te kunnen brengen. Maar Dagarik is er niet blij mee. Want dit betekent dat ze de winter hier zullen blijven, met de baby. En hij weet niet of hij dat wel kan uithouden. Duwend en trekkend aan de wieg probeert Dagarik Dalar is slaap te schommelen. Maar de baby blijft huilen. Wat moet hij dan doen? Dalar wilt ook niet meer eten of drinken en slapen al helemaal niet. Gelukkig komt Gar’Dal op tijd terug met een nieuwe buit en sust de baby. ,,Heeft Dalar jou dat ook geleerd?” vraagt Dagarik, ,,Hoe je een baby moet verzorgen?” Hij schudt zijn hoofd, maar maakt zonder wat te zeggen duidelijk dat hij het daar niet over wilt hebben. Dagarik respecteert dat en laat het onderwerp weer rusten.
Na het diner, nog wat gedoe met de baby en het poetsen van de tanden met een stokje gaat Dagarik naar bed. Hij ligt weer in het oude bed van Gar’Dal, die zelf een nieuwe slaapplek voor zichzelf heeft gecreëerd wat meer voorin in de hut. Dagarik valt weer vrij snel in slaap, maar wordt halverwege wakker en hoort geritsel. Als hij overeind komt ziet hij dat Gar’Dal overeind in de hut staat met zijn boog en een pijl in de handen. Gar’Dal ziet dat Dagarik wakker is en gebaart hem stil te zijn. Dagarik gehoorzaamt en hoort vervolgens stemmen en voetstappen van buitenaf komen. Wie zouden dat zijn? En wat moeten ze? Gar’Dal staat op scherp en gebaart dat hij naar buiten gaat. Althans, dat maakt Dagarik er uit op. Gebaren gaat een beetje lastig als je handen vol zitten. Maar het klopt. Gar’Dal opent voorzichtig de deur en springt daarna naar buiten. Wat volgt is gegil. Maar niet van Gar’Dal. Het klinkt meer alsof het van kinderen komt. Dagarik fantaseert wat er buiten afspeelt, als de stemming daar plotseling helemaal lijkt om te slaan. ,,Gar’Dal!” roepen de kinderstemmen enthousiast. Wat? Dagarik kan zijn nieuwsgierigheid niet meer de baas zijn en klimt de hut uit. ,,Dagarik, mag ik je voorstellen aan Tam en Dur,” zegt Gar’Dal vrolijk nadat hij de twee kinderen heeft omhelsd, ,,Tam, Dur, dit is Dagarik.” Dagarik bekijkt de kinderen. Ze zijn ongeveer van dezelfde leeftijd als dat hij is. Zo rond de twaalf, dertien jaar. Ook zijn ze op dezelfde manier gekleed als hij: armoedig en slonzig. ,,Ik dacht dat jullie dood waren,” roept Gar’Dal opgewonden, ,,Hoe hebben jullie het overleefd?”
,,Dat vertellen we later wel,” zegt een van de twee, ,,Maar je moet ons helpen,” Gar’Dal slikt en Dagarik kijkt in stilte naar wat er gebeurt. Hij zou graag willen vragen hoe zij elkaar kennen, maar wacht af, ,,We hebben de Sari kunnen afschudden in het bos, maar we hebben nog een schuilplaats nodig.” Gar’Dal knikt, maar kijkt peinzend om zich heen. ,,Ik zou graag willen, maar ik heb nauwelijks meer ruimte in mijn hut,” zegt Gar’Dal.
,,Anders trekken jullie wel in en ga ik alleen verder,” stelt Dagarik voor. Maar Gar’Dal schudt zijn hoofd: ,,Waar wil je dan naartoe?” Dagarik haalt zijn schouders op: ,,Ik verzin wel iets. Maar het belangrijkste is, is dat ik niet op de vlucht ben en zij wel. Ik heb die schuilplaats niet zo zeer nodig, zij wel.” Gar’Dal schud opnieuw zijn hoofd.
,,Ik ga jou niet in de steek laten,” zegt de man, ,,En Tam en Dur evenmin. Ik stel voor dat we met zijn allen dan vertrekken. We kunnen naar het noorden en de oversteek naar Esroth maken,” De drie kinderen knikken instemmend, ,,Goed, dan moeten we zo snel mogelijk vertrekken. Tam en Dur, verzamelen jullie zoveel mogelijk doeken en andere spullen die van pas kunnen komen? Dan neem ik zoveel mogelijk etenswaar mee. En Dagarik, til jij de baby?” Tam en Dur kijken elkaar verbaasd aan: ,,Baby?”

,,En zo hebben we Gar’Dal leren kennen,” vertelt Dur aan Dagarik, die achteraan lopen. Hij heeft zojuist verteld hoe Gar’Dal, op dertienjarige leeftijd de voogdij over Tam en Dur nam, als dank dat Dalar voor hem had gezorgd. Dagarik snapt nu waarom Gar’Dal zo goed is in het zorgen voor baby’s. Blijkbaar heeft hij al sinds zijn dertiende voor twee kinderen gezorgd die hij niet eens kende. En zo lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Maar Dagarik hoopt niet dat hij als dertienjarige nu voor deze baby moet blijven zorgen.
,,En hoe heb jij Gar’Dal leren kennen?” vraagt Dur vervolgens en Dagarik vertelt over hoe hij Dalar uit een brandend gebouw heeft gered en hij Gar’Dal is tegengekomen in het bos, ,,Dus je kent hem nog maar heel kort?” Dagarik knikt, ,,Maar je kent wel zijn geheime kracht?” Dagarik kijkt Dur verbaasd aan. Dur is zich daarop bewust van zijn fout en kijkt Dagarik met grote ogen aan, ,,Nee, niets. Laat maar.” Daarna valt het gesprek stil. Voor zich uit starend loopt Dagarik vervolgens door het pikdonkere bos en volgt het licht van de fakkel die Tam draagt. Er is iets bijzonders aan die Gar’Dal, iets dat hij nog heeft verzwegen aan Dagarik. Maar ja, Dagarik heeft ook veel verzwegen voor hem en hij is ook bij lange na niet normaal.