• Gegroet, sterveling! Nieuw op het forum?
    Als je wilt deelnemen aan het forum heb je een forumaccount nodig. Registeer er snel een! Heb je al een forumaccount? Dan kun je hier inloggen.

VerhalenTopic

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 16: Tijd voor actie
De krachtige, winterse wind beukt tegen het schip aan en dringt door kleine kiertjes, wat een fluitend geluid veroorzaakt. Door de wind en de golven schommelt het schip rustig, maar onregelmatig heen en weer. De groep zit kalm om de tafel, op de schipper na. Die ligt verderop in het ruim in een hangmat te pitten, terwijl Fitor en Micha zo zachtjes mogelijk aan het oefenen zijn met dobbelen en Dagarik de kogels voor zijn slinger aan het poetsen is. Plotseling legt Fitor de dobbelstenen hard neer. Micha en Dagarik schrikken, net zoals de schipper die bijna uit zijn hangmat valt. ,,Dit klopt niet,” zegt hij ernstig. Micha antwoordt: ,,Hoezo? Ik heb echt niet zo snel leren valsspelen, hoor.” Dagarik grijnst, maar Fitor laat geen reactie zien of horen. ,,Gar’Dal is al veel te lang weg,” zegt Fitor ongerust, ,,Hij had allang terug moeten zijn.”
,,Misschien is ie al terug, maar zien we hem nog niet,” probeert Dagarik grappig te zijn. Micha grijnst en antwoordt: ,,Ja, en dan laat ie ons straks schrikken.”
,,Jongens, dit is niet grappig,” blijft Fitor serieus, maar Micha blijft kalm en zegt: ,,Dat hij laat is wil niet zeggen dat er iets mis is.”
,,Misschien heeft hij de contactpersonen gevonden en bespreekt hij nu eerst uitgebreid het plan,” denkt Dagarik hardop na, ,,En moet hij eerst vertrouwen wekken voor hij kan gaan en ons kan inlichten.”
,,Hoe dan ook,” gaat Micha verder, ,,Ons ongerust maken heeft toch geen zin.” Fitor krabt aan zijn baard en fronst nadenkend zijn wenkbrauwen. Hij zegt niets, maar laat enkel een zware zucht horen. ,,Er is vast niet aan de hand,” klinkt uiteindelijk Dagariks laatste poging om Fitor gerust te stellen. Hij weet echter niet dat ongeveer driehonderd meter verderop Gar’Dal met zijn handen aan elkaar vastgebonden op een stoel zit en naar een paar mannen voor hem kijkt. Hij snuift, om het bloed dat uit zijn neus loopt tegen te gaan. ,,Je bent behoorlijk stom dat je alleen in de straten liep op dit tijdstip,” klinkt de zware stem van één van de mannen tegenover Gar’Dal, ,,Was je eigenlijk van plan?”
,,Ik denk jullie zoeken,” zegt hij, terwijl hij de man, die de vraag stelde, fel aankijkt. Die is gekleed in een dikke, bonten mantel met daarover een brede riem en een leren broek eronder. Zijn gezicht is bedekt met een volle, onverzorgde baard die er vettig uit ziet. Hij heeft donkere ogen met dikke wallen eronder en zware wenkbrauwen erboven. Zijn lange haar is via twee plukken in een vissengraatvlecht geweven, wat vanaf een krans vormt. Op hoogte van zijn nek vloeit de vlecht samen met de overige loshangende haren. Alles wijst erop dat dit geen Sari is en de andere mannen die in de kleine kamer staan zijn ook zo gekleed. ,,Nou, je hebt ons gevonden,” zegt de grote man die tot nu toe telkens het woord neemt, ,,Of eigenlijk wij jou. Maar vertel eens: Waarom zocht je naar ons?”
,,Ik weet niet of ik echt naar jullie zoek, maar ehm…” zegt Gar’Dal en moet even nadenken om goed uit zijn woorden te komen, ,,Weten jullie iets van die vrouwelijke strijder af? Ik zou graag in contact met haar willen komen.” De man lacht en vraagt: ,,Ja, wij kennen haar. Waarom wil je haar spreken?”
,,Omdat ik haar hulp nodig heb om de stad te evacueren,” antwoordt Gar’Dal, ,,Nadat alle Sarische soldaten uit de stad zijn geveegd.” Alle mannen beginnen nu in koor te lachen. ,,En hoe wil je dat doen?”
,,Op dezelfde manier zoals ik nu ontsnap,” grijnst Gar’Dal, waarna hij en de stoel waarop hij zit plotseling verdwijnen. Het lachen van de mannen vergaat en kijken verbaasd om zich heen, als onder het geluid van krakend hout en harde slagen de mannen één voor één neervallen. Uiteindelijk wordt ook de man met de mooie vlecht op de grond gewerkt, waarna Gar’Dal weer zichtbaar wordt. Hij staat daar, voor de man met een stoelpoot in zijn ene hand en een zwaard in zijn andere te grijnzen naar het bange gezicht van de man die eerst zo stoer deed. ,,H-Hoe…?” stamelt de grote man, ,,Hoe deed je dat? Wie ben jij?”
,,Het enige wat belangrijk is, is dat ik iemand ben die de inwoners van Blachis wil redden. De rest over wie ik ben, is niet interessant,” zegt Gar’Dal, ,,Maar zouden jullie mij willen helpen om met die vrouw in contact te komen?”
,,Gawor, doe het niet,” klinkt een andere stem rechts van Gar’Dal, ,,We kennen hem niet.”
,,Waarom verwacht je dat Agnes je zou helpen?” vraagt de man, die Gawor wordt genoemd.
,,Dat weet ik niet,” antwoordt Gar’Dal, ,,Maar ik hoop dat ze er wel iets voor voelt de inwoners van Blachis naar het geheime dorp te brengen.” De Norische mannen kijken elkaar verbaasd aan, waarop Gawor vraagt: ,,Hoe weet jij van dat dorp?”
,,Dat heeft haar grootvader mij verteld.”
,,Ken jij die schipper?” Gawor schiet in de lach en komt overeind, ,,Had dat dan gelijk verteld. Een vriend van die oude man is een vriend van ons,” Gar’Dal kijkt ze verbaasd aan, maar vraagt niets. In plaats daarvan overhandigt hij het zwaard aan Gawor, die hem een stevige, maar vriendschappelijk op de rug van Gar’Dal klopt, ,,Ik zal zorgen dat je in contact komt met Agnes,” gaat Gawor verder, ,,Maar eerst zal ik je vertellen wie wij zijn.”

De schipper ligt nog altijd in zijn hangmat en Fitor en Micha nog om de tafel. Maar Micha is ook half in slaap gevallen op de tafel en Dagarik ligt in een andere hangmat te pitten met Irath aan zijn zij, terwijl Fitor ongeduldig met de dobbelstenen op tafel aan het tikken is. Plotseling valt Dagarik uit zijn hangmat doordat Irath eruit springt. De harde klap die Dagarik veroorzaakt met het vallen op de houten grond en het geblaf van Irath zorgt ervoor dat ook Micha en de schipper wakker worden. Fitor reageert direct op Irath en volgt de wolf als die het dek op sprint. Irath lijkt in de war te zijn, want hij kwispelt en gromt tegelijkertijd, waardoor Fitor zijn zwaard trekt en ook het dek op gaat. Dagarik krabbelt overeind en kan nog net Fitor de trap op zien verdwijnen en hij vraagt zich af wat er allemaal aan de hand is. Dagarik hoort gepraat vanaf op dek, maar kan niet verstaan wat er wordt gezegd en herkent nauwelijks stemmen. Maar kort daarop komt er weer iemand de trap af. Eerst Fitor en daarna een onbekend persoon, gevolgd door drie andere vreemden. En net als Dagarik zich afvraagt waar Gar’Dal is, komt ook die ook tevoorschijn. ,,Wie zijn deze mannen?” vraagt Micha, niet echt aan één persoon gericht. En Gar’Dal begint te vertellen: ,,Deze mannen zijn het Verzet in Blachis. Zij gaan ons helpen de stad te evacueren.”
,,Ik ben Gawor,” zegt een van de mannen, ,,Ik ben de leider van het Verzet.”
,,Wacht, hoe zijn jullie hier gekomen?” vraagt Dagarik zich hardop af, ,,Is de poort intussen weer open?”
,,Het Verzet weet meer dan de Sari,” lacht Gawor, ,,Wij weten bijvoorbeeld een geheime route om de stad in en uit te kunnen.”
,,Zij zijn hier om eerst een aanvalsplan met ons te bespreken,” vertelt Gar’Dal, ,,Maar ondertussen hebben ze al contact proberen te maken met Agnes.” Opeens schiet de schipper overeind bij het horen van zijn kleindochters naam. ,,Mijn Agnes?” vraagt hij met enthousiasme en verbaasdheid in zijn stem, ,,Hoe?”
,,Via een valk met een boodschap aan zijn poot,” antwoordt Gawor.
,,Maar ik dacht dat alleen Agnes van het dorp wist,” zegt de schipper en Gawor lacht. ,,Iedereen van het Verzet weet van het dorp. Alleen de weg ernaartoe weten inderdaad alleen de mensen die er al zitten.”
,,Hoe weet die valk dan waar die naartoe moet?” vraagt Fitor en Gawor vertelt: ,,Omdat die valk van Agnes is. Die is getraind om naar zijn baasje te vliegen. De terugreis is alleen wat lastiger,” Gawor kijkt de kamer rond, ,,We kunnen dan pas ook de aanval openen wanneer we een reactie van Agnes hebben.” Fitor knikt, maar er is nog iets onduidelijks: ,,Waarom hebben jullie dan nooit eerder nagedacht om het dorp te evacueren?”
,,Simpel,” grijnst Gawor, ,,Wij vieren zijn de enige leden van het Verzet en ook de enige die een beetje kunnen vechten. Met andere woorden: Wij zijn met te weinig om de Sari weg te jagen,” Gawor slaat vervolgens op de schouder van Gar’Dal, ,,Maar met zijn speciale kracht en de hulp van jullie moet het zeker lukken, of niet?” Gar’Dal knikt lachend en zijn oude groep kijkt hem verbaasd aan, waarop hij toelicht; ,,Wat? Ik had het nodig om te kunnen ontsnappen.” Er wordt kort gelachen, waarna Gawor in zijn handen klapt, ,,Laten we al beginnen met het maken van een aanvalsplan.”

De golven van de zee blijven tegen het schip aan beuken waardoor het schommelen door blijft gaan. In het schip is de gefuseerde groep van Gar’Dal en Gawor druk om de tafel aan het discussiëren. Op de tafel ligt een vel papier en is de plattegrond van de stad getekend. Daarop staan allerlei voorwerpen opgesteld. Gawor heeft de leiding en heeft zojuist het aanvalsplan en de aanpak om de stad te evacueren besproken. ,,Is alles duidelijk?” vraagt hij tot slot en er wordt geknikt. De plannen zijn duidelijk en iedereen weet wat die moet doen. Dagarik heeft alleen geen grote rol gekregen, maar vindt dat niet heel erg, omdat hij heeft besloten zijn krachten voorlopig geheim te houden. En nu is het dus wachten op een antwoord van de vrouw in de bergen en hopen dat dat sneller komt dan de opkomende zon. Ze hebben nog een aantal uur en dus wil Gawor die tijd gebruiken om slaap op te doen. Dagarik kan dat goed gebruiken na een nacht zonder bijna te slapen en aan de reacties te zien van de rest in het ruim geldt dat voor hen hetzelfde. Dagarik zoekt een hangmat op, strekt zich uit en sluit zijn ogen. Maar hij is nog maar net tot rust gekomen, als het enthousiaste geroep van iemand iedereen wakker maakt: ,,Awaz is op het schip geland! Met een boodschap!” Awaz? vraagt Dagarik zich af. Geland? Het duurt even voor hij beseft dat het om de valk gaat, als kort daarop de valk naar binnen wordt gebracht. Gawor neemt de valk aan, pakt het papiertje om de poot van het dier en zet de valk op zijn schouder. Daarna rolt hij het papiertje open en leest wat erop staat, onder volle aandacht van de groep die om hem heen staat. Iedereen wacht in stilte af, totdat er een glimlach op Gawors gezicht verschijnt en zegt: ,,Tijd voor actie!”
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 17: Evacuatie
Vanachter de bergen in het oosten verschijnt langzaam de zon en kleurt de heldere hemel roze. In de zachte, verse sneeuw op de grond weerspiegelt het zonlicht, totdat een grote, zwarte laars de sneeuw verpulvert en een vieze, modderige afdruk achter laat. De laars is eigendom van een soldaat die is gekleed in een dikke, bonten jas die zijn uniform en harnas verbergt. Maar door de helm die hij op heeft is hij te herkennen als een Sari. Net zoals zijn vijf andere collega’s en zijn bevelhebber waar hij mee marcheert. Zwaar bewapend met een zwaarden aan de riemen, schilden op de rug en in de ene hand een speer en in de andere een brandende fakkel haasten ze zich naar de haven, waar maar één schip ligt. De soldaten stoppen en staan in een halve cirkel vlak voor het schip, met de bevelhebber in het midden. ,,Je tijd is op, schipper!” roept de bevelhebber, te herkennen aan de verenpluim op zijn helm. Hij wacht op een reactie, maar het blijft stil. Hij wordt slechts begroet door de ijzige wind die fluitend langs waait. ,,Volgens mij is er niemand,” concludeert een soldaat, terwijl een andere denkt dat de schipper zich verslapen heeft. ,,Wat het ook is, tijd om deze boot in vlammen te zien opgaan,” zegt een derde, maar de bevelhebber steekt zijn vuist op, nadat hij zijn speer in de grond heeft gestoken en zegt: ,,Wacht. Eerst gaan we kijken of er nog iets bruikbaars in het schip ligt.” Zijn onderdanen knikken en achtervolgen hun meerdere het schip in en worden verwelkomd door het krakende hout, zodra ze aan boord zijn. De bevelhebber kijkt kalm op zich heen en beveelt vervolgens iedereen naar binnen te gaan en volgt een soldaat naar het ruim. ,,Zo te zien hebben ze alles achter gelaten,” grijnst de bevelhebber. Hij zet zijn speer tegen een paal neer en geeft zijn fakkel aan een soldaat, waarna hij voorwerpen die op tafel liggen bijeen raapt. Maar plotseling schieten aan alle kanten mannen tevoorschijn en start er een gevecht. De bevelhebber trekt zijn zwaard en wordt belaagd door twee verzetsstrijders, terwijl zijn soldaten worden verrast door de rest van de groep. Het is een oneerlijke strijd. De Sari zijn met zijn zevenen en de groep van Gar’Dal en Gawor met zijn achten, de schipper en Irath niet meegerekend. En dat terwijl Irath enigszins een rol speelt in dit gevecht. Hij bijt en krabt om zich heen, waarna het gevecht snel over is. De groep kijkt tevreden om zich heen, totdat ze iemand om hulp horen roepen. Gar’Dal rent het dek op en ziet daar de bevelhebber die wegvlucht. Gar’Dal pakt een pijl en spant razendsnel zijn boog en schiet de man in de nek, tussen de helm en de borstplaat. Hij vloekt binnensmonds, omdat hij de man niet wilde doden, maar geen andere optie had. Maar de echte reden waarom hij boos is, is omdat de bevelhebber alsnog de soldaten op de muur heeft weten te alarmeren en Gar’Dal hoort hoe de stadspoort weer dicht gaat.
Gar’Dal komt het ruim weer binnen, waar hij ziet dat de Sarische soldaten zijn gevangen genomen en de zwaarden en schilden zijn afgepakt. Maar Gar’Dal ziet dat aan hun kant ook niet alles zo soepel is verlopen. Twee leden van het Verzet zitten daar met sneeën in de armen en met een bebloed gezicht. Dagarik kijkt Gar’Dal indringend aan, maar die schudt zijn hoofd: Hij staat niet toe dat Dagarik zijn krachten gebruikt. ,,Sorry, we waren te sloom,” kreunt de gewonde soldaat, ,,Hij wist ons te verrassen.”
,,Er is jullie niks kwalijks te nemen,” brengt Gawor ertegenin, terwijl hij de verwondingen bekijkt, ,,De wonden zijn gelukkig niet diep. Denken jullie nog mee te kunnen doen?” De krijgers knikken. Gawor slaat ze vriendschappelijk op de wangen en staat op. ,,Dan is het nu tijd om onze stad terug te veroveren!” Hij wordt beantwoord door luid geschreeuw, waarna ze zachtjes het dek opklimmen en Gawor volgen.

De groep volgt Gawor, maar Irath en de schipper blijven achter. Ze komen via een verborgen zijpaadje de stad binnen. Achter hen zien ze de muur vol stromen met soldaten, bewapend met schilden, zwaarden, pijlen en bogen. Gar’Dal gniffelt en kijkt, net zoals de rest, naar Gawor. Die knikt. De uitvoering gaat wat anders dan het plan, maar alleen op een positievere manier. Gar’Dal wordt onzichtbaar en het is nu even afwachten. Dagarik houdt zijn ogen op de muur gericht en grijnst wanneer hij de soldaten één voor één vanuit het niets op de grond ziet vallen. Vervolgens ziet hij hoe Fitor, Micha en een krijger Gawor achtervolgen naar de muur en de gevallen soldaten bewusteloos slaan. Maar dan begint het gevecht pas echt. Achter hen stormt de rest van de soldaten op hen af en Dagarik grijpt gauw zijn slinger en begint de kogels af te vuren op de soldaten die de aanval vanaf de zijkant niet hadden verwacht. Maar het duurt niet lang voor ze Dagarik in het vizier krijgen en terwijl een groot deel de aanval zoekt bij Gawor en het team, zijn er een paar soldaten die richting Dagarik stormen. En gebruikmakend van hun schilden ontwijken de soldaten de aanvallen van Dagarik en komen ze steeds dichterbij, waarop Dagarik het op een lopen moet zetten. Op de hulp van de twee gewonde krijgers naast hem kan hij niet rekenen. Die vluchten hem achterna de stad in. Dagarik duikt haastig in een steegje en verstopt zich achter een waterton. Een krijger komt naast hem zitten en begint te hijgen, gevolgd door gekreun. ,,Hoe erg is het?” fluistert Dagarik tegen de krijger en die schuift de scheur in zijn mouw op, zodat de met bloed doordrenkte wond goed zichtbaar is. ,,Het valt mee, maar het doet wel veel pijn,” kreunt de krijger, waarna Dagarik snel om zich heen kijkt. Er is niemand te zien. Hij kijkt de krijger aan en zegt: ,,Pak mijn hand,” De man kijkt hem verbaasd aan, maar door het opdringen van Dagarik doet hij uiteindelijk wat de jongen zegt. Dagarik rolt daarop zijn mouwen op en sluit zijn ogen. Hij begint te kreunen terwijl een wond op zijn arm verschijnt en de man in paniek toekijkt. ,,Wat gebeurt er?” roept hij, ,,Wat doe je?” Nadat Dagarik klaar is, veegt hij het bloed van zijn arm en rolt zijn mouw weer uit. Daarna werpt hij een boze blik naar de krijger: ,,Moet je nou weer zover lawaai maken?” zegt hij, ,,Hopelijk kun je nu de soldaten uitschakelen die je hierheen hebt gelokt.” De man blijft verbaasd kijken, maar veel tijd heeft hij niet daarvoor. Want al gauw verschijnen twee soldaten om de hoek met geheven zwaarden. Maar voordat ze uit kunnen halen worden ze onderuit gehaald door twee pijlen die in hun nek terecht komen, waarna Gar’Dal komt aangerend en vraagt: ,,Alles oké?” Dagarik knikt, maar de krijger blijft doodsbleek staan, ,,Heb je het toch gedaan?” merkt Gar’Dal de krijger op die geen verwondingen heeft. ,,Hij bleef maar kreunen,” zegt Dagarik, ,,Ik moest wel.” Gar’Dal knikt en zegt verder niets meer. Dan komt Gawor met grote passen aangelopen en snauwt: ,,Dat was niet de afspraak, jongen. Jij zou…” Hij stopt bij het zien van zijn krijger, ,,Wat is er met hem gebeurd?” vraagt hij stomverbaasd. ,,Gar’Dal is niet de enige met een gave,” zegt Dagarik, ,,Ik heb er ook één.” Gawor knikt. Op zijn gezicht is nog de verbaasdheid af te lezen, terwijl hij met grote naar niets kijkt. Gar’Dal neemt vervolgens de leiding door het evacuatieplan af te kondigen. Fitor, Micha en Gar’Dal zelf spitten door de stad om zoveel mogelijk mensen de boodschap af te geven de stad te verlaten. Dagarik zoekt eerst de andere krijger op en geneest ook hem. Wanneer dat is gedaan, gaat ook hij de stad door. Het enige wat hij hoeft te doen is op de deuren bonken en mensen die buiten zijn vertellen om hun spullen in te pakken, te verzamelen op het stadsplein en deze boodschap door te geven. En zo wordt de boodschap binnen mum van tijd verspreid.

Na nog geen halfuur staat het plein al helemaal vol met inwoners. Iedereen praat door elkaar, baby’s huilen en niemand weet wat er precies gaande is, totdat Gawor op de muur klimt en iedereen toespreekt: ,,Blachis wordt geëvacueerd. Het is niet langer veilig om hier te blijven, maar er is voor iedereen plek in een secuur dorp in de bergen. De tocht ernaartoe zal lang en zwaar worden en daarom is er een schip in de haven waar ouderen en zieken in kunnen. Die zullen naar Wesroth worden gebracht,” vertelt hij, ,,Maar daarvoor is beperkte plek, dus de meesten moeten de tocht door de bergen maken.” Er heerst weer rumoer, totdat naast Gawor een nieuw persoon verschijnt. Dagarik, die tussen de menigte op het plein staat, kan niet goed zien we het is, maar merkt dat hij beroemd is onder het volk. Iedereen wordt namelijk stil bij het zien van de man. Dagarik bekijkt hem. Hij is gekleed in een donkergroene mantel die tot zijn sandalen aan zijn voeten loopt. Aan de mantel zit een capuchon die de man op heeft, waardoor het gezicht niet zichtbaar is. Er is enkel een dikke, donkerbruine vlecht zichtbaar die uit de capuchon over de schouder loopt. In zijn hand heeft hij een grote speer vast, waarbij het Dagarik opvalt dat het een gouden punt heeft. De persoon doet zijn capuchon af en Dagarik ziet opeens dat het geen man is, maar een vrouw! Dagarik bekijkt haar gezicht. Ze heeft een vrij klein hoofd in verhouding met haar lichaam met een kleine mond, maar dikke lippen. Verder heeft ze donkere ogen onder haar spitse wenkbrauwen en een stevige kaaklijn.
,,Ik zal jullie gids zijn naar het dorp,” klinkt de stem van de vrouw, die op een natuurlijke manier hees klinkt. Plotseling begint het bij Dagarik te dagen: Dit is die vrouw! De kleindochter van de schipper! Dagarik wil naar de vrouw toe, maar de menigte komt in beweging en Dagarik wordt meegesleurd, totdat hij door Fitor eruit wordt getrokken. ,,Kom je helpen de ouden en zieken aan boord te brengen?” vraagt hij en Dagarik knikt. Ze verlaten het plein en gaan door de stadspoort naar buiten, waar ondertussen al een handje vol mensen zich hebben verzameld. De schipper is al bezig de mensen naar het schip te begeleiden en Fitor en Dagarik beginnen hem te helpen.

De zon kruipt omhoog en staat binnen de kortste keren in het zuiden op zijn hoogste punt, wat alsnog laag is. Maar in de wintertijd is de zon er nauwelijks en volgens enkele ouderen die Dagarik helpt mogen ze blij zijn dat de zon er nog is. In hartje winter is het op het meest noordelijke deel van Noroth de zon niet meer te zien en kan het tot wel vijf dagen nacht blijven. Dagarik hoopt niet dat hij dat hoeft mee te maken. Maar wie weet waar de toekomst of deze missie hem brengt. Hij stelt zich ervoor open en snuift de frisse lucht op als hij het schip weer uit komt. Iedereen die aan boord wilde is aan boord, dus zit Dagariks taak er op. De schipper komt naast hem staan en zegt: ,,Het ziet er goed uit. Jullie zijn al ver gekomen.”
,,Dankzij jouw hulp, natuurlijk,” zegt Dagarik, ,,Dus bedankt!”
,,Ach joh, houd toch op,” kucht de kapitein, ,,Ik doe alleen waar ik goed in ben,” De kapitein kijkt naar de lucht, ,,Nu we het daar over hebben, ik moet zo maar eens gaan. Anders komen we nooit op tijd aan.” Dagarik knikt en kijkt om zich heen. Hij wil Micha en Gar’Dal halen, want die moeten natuurlijk ook afscheid kunnen nemen. Maar gelukkig komen zij al met Fitor en worden onder luid geblaf van Irath onthaald. Het afscheid is vrij kort, wat niet geldt voor de inwoners die nog afscheid nemen van hun kennissen die ze achter moeten laten op het schip. De kapitein jaagt ze van zijn schip en Fitor en Micha helpen het schip los te maken. Er wordt nog enkele minuten gejouwd en gezwaaid, waarna de haven langzaam leeg druppelt. Terug in de stad krijgen Fitor en Dagarik een brood toegeworpen van Gawor. Het water begint Dagarik gelijk in de mond te lopen, want hij heeft vandaag nog helemaal niets gegeten en er wordt lachend toegekeken hoe Dagarik gretig het brood naar binnen werkt.

Een schip verschijnt aan de kust, met de lage zon erachter die in het water weerspiegelt. Sarische soldaten beginnen druk touwen vast te knopen aan de kant en een loopbrug wordt uitgelegd. Een gestalte met een enorm gestalte ernaast verschijnen op de loopbrug. Het zijn Aran-Gosh en T’yer, ,,Welkom terug in Wolvzar,” worden de twee begroet, ,,Hoe was jullie reis naar Razoth?”
,,Enig,” klinkt de bekakte stem van Aran-Gosh, ,,We hebben… interessante personen ontmoet.”
,,Goed om te horen,” reageert de man kalm, ,,Ik stel voor dat u eerst naar uw kamer gaat en onder genot van een kopje thee de rapporten bekijkt?”
,,Dat lijkt me een uitst….” Antwoordt Aran-Gosh. Plotseling wordt hij onderbroken door een jongen die de haven binnen rent en roept: ,,Kolonel, kolonel!” Hij stopt bij het zien van Aran-Gosh en hij buigt diep. Maar Aran-Gosh stampt naar hem toe en trekt hem overeind en snauwt: ,,Wat is zo bijzonder dat je mij durft te onderbreken?”
,,S-Sorry… meneer,” stottert de jongen, ,,Ik had u niet gezien.” Aran-Gosh geeft hem een klap in het gezicht. ,,Dat is geen antwoord op mijn vraag,” zegt Aran-Gosh, ,,Wat had je te vertellen?” De jongen slikt en zegt: ,,Het is Blachis. De stad…. ligt onder vuur. Er moet versterking komen.” De jongen knijpt zijn ogen dicht en verwacht als brenger van slecht nieuws gedood te worden. Maar de commandant blijft kalm. Hij laat de jongen los en keert zich tot de man die hem welkom had geheten en zegt: ,,Kolonel, je hebt de jongen gehoord.” De man salueert en loopt weg, waarna er een grijns op het gezicht van Aran-Gosh verschijnt.
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 18: De vrouw in de bergen
Een lange strook condens stijgt op in de lucht bij het uitademen, waarna Dagarik weer diep adem haalt. Hij voelt de kou tegen zijn gezicht prikken, maar tegelijkertijd glijden zweetdruppels van zijn voorhoofd en zijn zijn oksels twee klotsende zwembaden. Dagarik heeft het er maar zwaar mee. Hij is niet gewend aan de kou en laat staan er door de bergen sjokken met een volle en zware rugzak van een vrouw die het zelf niet kan dragen. Hij vindt het niet erg en hij helpt graag, maar hij heeft er ook geen problemen mee te laten merken dat hij er moeite mee heeft. Hij is er ook ergens blij mee dat het hem zoveel moeite kost. Want dat betekent dat de Sari, die het barre klimaat niet gewend zijn, er dus ook veel moeite mee zouden hebben. En die weten niet eens de weg. En hij hoopt dan ook dat ze voorlopig geen last van die soldaten zullen hebben. Zijn grootste verlangen is echter dat ze snel aankomen of een pauze inlassen voordat hij echt instort. En gelukkig, de redding is nabij als er een pauze komt. Dagarik gooit met alle liefde de bagage van zich af en gaat op een steen zitten. Die is natuurlijk steenkoud, maar dat boeit Dagarik op het moment niet. Zijn verlangen om uit te rusten is sterker dan die om op te warmen. Gelukkig is beide mogelijk, wanneer een vuurtje wordt gemaakt waar speciaal voor het team van Gawor en zijn team. En daar valt Dagarik ook onder, waardoor hij een speciaal opgewarmd drankje krijgt die volgens Gawor en de krijgers goed is voor het uithoudingsvermogen en om de ledematen doorbloed te houden. Het smaakt vreselijk, maar Dagarik is zo dorstig dat dit er met gemak in kan. Hij gooit het goedje achterover en staart vervolgens naar de lucht, die verstopt zit achter de donkere wolken. Het heeft gelukkig sinds het vertrek gisteren niet meer gesneeuwd, maar de wolken zijn er altijd. Ze zijn nu omringd door de witte bergen en de wolken, wat lijkt op een sprookjesachtige wereld. In ieder geval heel anders dan het weiland waar ze gisteren hebben gekampeerd, ondanks dat ook daar het hele landschap was bedekt met een laagje sneeuw. Maar nadat ze door het bos en door het weiland hebben gelopen zijn ze vandaag nu voor het eerst in de bergen. Dagarik vraagt zich af hoe die vrouw deze reis zo snel heeft kunnen maken als zij plotseling naast hem komt zitten. ,,De wolken zien er dreigend uit, is het niet?” zegt ze en Dagarik kijkt haar verwonderd aan. ,,Ja, denk ik,” antwoordt hij. De verwardheid is in zijn stem te horen, ,,Ik weet niet veel van het weer.”
,,Als je langer in Noroth blijft, komt dat vanzelf,” lacht de vrouw, ,,Maar geen zorgen, we zullen nog geen last krijgen van sneeuwstormen.” Dagarik knikt. Het gesprek valt stil. Dagarik heeft geen zin om over het weer te praten, maar over haar. Wie is zij? Is zij een halfgod? Heeft zij ook een speciale kracht? Allerlei vragen schieten door Dagariks hoofd, maar die komen niet naar buiten. Zijn ze al bijna bij het dorp? Wie zitten er eigenlijk allemaal al in het dorp? Hij zoekt een aanleiding om erover te beginnen, maar door al die vragen slaat hij helemaal dicht. Uiteindelijk staat de vrouw op en zegt: ,,We moeten maar eens weer verder.” Dagarik kan zichzelf wel voor zijn hoofd slaan, maar houdt zich in. In plaats daarvan zoekt hij weer de rugzak op en sluit zich aan bij de stoet van mensen die door de bergen trekt. Zo blijven ze nog een aantal uur lopen, totdat de menigte weer tot stilstand wordt gebracht. Nog een pauze? Maar nee, het blijkt dat ze zijn aangekomen in het dorp! Door de mensen voor hem kan hij het dorp nog niet zien, maar als hij om zich heen kijkt, ziet Dagarik her en der wachters tevoorschijn komen vanachter de rotsen. Door de witte outfit die ze aanhebben zijn ze nauwelijks zichtbaar en Dagarik zag ze alleen omdat ze zich lieten zien en bewogen. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht, met in gedachte hier veilig te zijn voor de Sari.

De vluchtelingen lijken zich makkelijk aan te passen en hebben vrij snel de tenten opgezet. Dagarik krijgt van Gar’Dal een tent in zijn armen gedrukt met de woorden: ,,Deze is voor ons samen. Zet jij hem op? Ik moet nog wat dingen regelen.” Dagarik zegt verder niets en zet braaf de tent op. Nadat dat is gedaan, besluit hij het dorp te verkennen. Het staat op een klein plateau in de witte, hoge bergen. Het heeft geen muren, maar wordt omringd met bergen en Dagarik heeft al gezien dat het ook wordt beschermd met tientallen gecamoufleerde wachters. Het dorp zelf is opgebouwd uit de oorspronkelijke kern waar een aantal gemetselde gebouwen en huizen staan. Daaromheen staan de geïmproviseerde tenten en hutten. Aan de kleur van de doeken van de tenten is te zien welke er langer en korter staan. Want de hutten zijn allemaal bedekt met sneeuw en de oude tenten hebben een vale kleur gekregen. De sneeuw wordt er dus blijkbaar wel elke keer afgeschept. Ook wel logisch, want zulke tenten –hoe dik de steunpilaren dan ook zijn- kunnen niet tegen het gewicht van de zware sneeuw.
Na een korte ronde door het dorp heeft Dagarik ontdekt dat ze hier alleen de meest primitieve gebouwen hebben staan. Dus ze hebben alleen een slager, een plein om te handelen en het meest opvallende: een openbaar toilet. De mannen en vrouwen zijn weliswaar van elkaar gescheiden, maar voor de rest zijn het gewoon een paar potten naast elkaar waar men zijn behoeften kan doen. Dagarik vindt het maar niets en moest al kokhalzen toen hij een kijkje binnen nam en is dan ook blij weer de frisse berglucht in te kunnen ademen. Maar wat hem nog gelukkiger maakt is de heerlijke lucht van gebraden vlees dat wordt bereid dat hij zo meteen mag eten. Echter is het niet veel. Ondanks de vele jagers die het dorp telt lukt het niet om genoeg jachtwaar te vinden om alle vluchtelingen een volledig diner te geven. Op deze hoogte zijn dan ook niet veel dieren te vinden. Al snel nadat de groep aan het eten is begonnen gaat het gesprek dan ook over het jagen. Dagarik zit bij zijn oude groepje die bestaat uit Fitor, Micha, Gar’Dal en Irath die erbij ligt, maar ook Gawor en een paar krijgers van Gawor en het dorp maken deel uit van de groep. Dagariks aandacht ligt vooral bij de vrouw die er ook bij zit, maar dat komt vooral omdat zij tijdens het eten aan het woord is: ,,Mijn valk Awaz is geen partij tegen de arenden die mijn collega’s gebruiken,” lacht ze, ,,Maar mijn valk jaagt niet. Die dient voor boodschappen.”
,,Worden arenden gebruikt om te jagen?” vraagt Gar’Dal en de vrouw knikt, ,,Hoe doen ze dat dan?” Vervolgens neemt een krijger het woord: ,,Ik kan je dat wel vertellen, vooral omdat ik zelf een adelaar gebruik om te jagen,” Alle ogen zijn gericht op de stevig gebouwde man met zijn doorsnee Noroth-uiterlijk, ,,De adelaars worden getraind om op commando prooien te vangen. Vooral vossen zijn populair, maar op klein grut, zoals marmotten en kleinere vogels, wordt ook op gejaagd. De eigenaar van de arend wacht gewoon tot er iets voorbij komt en zodra die een prooi ziet, wijst hij ernaar en gooit de adelaar de lucht in. Die is daarop getraind en begrijpt wat ermee bedoeld wordt, dus gaat ie de prooi achterna.”
,,Maar lever hier dan geen geiten en schapen?” vraagt Micha en de man knikt: ,,Ja, maar die zijn te groot voor een adelaar om aan te vallen. Op berggeiten wordt met speer of pijl en boog gejaagd. Helaas gebruikt Agnes haar speer en haar talent alleen om te vechten en niet om te jagen.” De vrouw die in de groep zit, lacht en stoot de man op zijn bovenarm. ,,Dat moet ook gebeuren,” zegt ze, ,,En waarom zou ik dieren doden als ik ook kan leven van vruchten en noten?” Dagarik kijkt de vrouw verwonderd aan. Hij had altijd gedacht dat alle Nori vleeseters waren. Maar die vrouw is echt een uitzondering. Net zoals dat zij de enige vrouw in het leger is. Dagarik kijkt naar Agnes en ze kauwt inderdaad op een plant, terwijl de rest van de groep met een stuk vlees in de handen zit, ,,Maar genoeg over mij,” zegt Agnes, ,,Ik wil jullie verhaal wel eens horen. Kwamen jullie nou helemaal uit Razoth?” Gar’Dal knikt en vertelt hoe hij Dagarik, Micha en Fitor ontmoette en hoe ze uiteindelijk hier terecht zijn gekomen, ,,Dus jullie hebben een hele reis gemaakt om de Sari te kunnen stoppen?” Ze slaat haar handen voor haar mond en zegt vrij snel erachteraan: ,,Het spijt me zo van wat er gebeurd is met jullie ondersteuning.” Er valt een stilte. Sinds Saroth Noroth binnen was gevallen is hem nooit duidelijk geworden wat er nu precies is gebeurd. Al die tijd heeft Dagarik het weggestopt, omdat het alleen maar nare gevoelens met zich mee brengt. Want hij voelde zich er verantwoordelijk voor. En daar had die Igro, terug in Razoth mooi gebruik van weten te maken. En nu is het onderwerp er weer. Zo plotseling. Zo direct. Wil hij eigenlijk wel weten hoe het nu precies zit? Durft hij het wel te vragen?
,,Wat is er eigenlijk gebeurd?” Gar’Dal durft het wel te vragen. Dagarik ziet de ogen van Agnes alle kanten op schieten. Uiteindelijk zegt ze: ,,Het is ondertussen meer dan tien maanden geleden, dus neem het me niet kwalijk als het verhaal wat haken en ogen heeft. Maar er kwamen schepen de stad Wolvzar binnen varen. Ze zeiden uit Wesroth te komen en het doel te hebben om ons te ondersteunen tegen een aanval van de Sari. Toen de vloot van de Sari echter kwam, begonnen zij met hulp van de Wesri ons aan te vallen en werd de stad snel veroverd,” Agnes stopt met praten en slikt een aantal keer. Blijkbaar ligt het verhaal ook bij haar gevoelig, ,,De invasie verspreidde zich snel en de schepen van de Sari begonnen Noroth aan alle kanten aan te vallen. En terwijl dat bezig was, kwam nog meer ondersteuning van Wesroth naar Blachis. De stad was nog in handen van de Nori en die hadden de verhalen gehoord uit Wolvzar, waardoor ze Wesri niet vertrouwden en iedereen een kopje kleiner maakte,” Agnes kijkt aarzelend de groep van Gar’Dal als ze vertelt: ,,Het was toen nog niet duidelijk dat de ondersteuning in Wolvzar een list van de Sari was en dat het ook nooit Wesri waren geweest.”

Er valt een stilte. De koude wind waait door de groep heen en verplaatst de brandende deeltjes die van het vuur komen de donkere lucht in. Dagarik kijkt de groep rond, maar er is niemand die terugkijkt. De meesten zitten terneergeslagen naar de grond te staren en Agnes zit met haar handen in het haar. Zonder iets te zeggen staat ze op en loopt ze weg. ,,Hadden jullie dit verhaal nooit gehoord?” vraagt Gawor aan Gar’Dal. Die schudt zijn hoofd, ,,Gelukkig kunnen jullie drie de Sari mooi terugpakken met jullie speciale krachten,” zegt Gawor vervolgens en Gar’Dal kijkt hem verwonderd aan: ,,Drie?”
,,Jij, Dagarik en Agnes,” antwoordt Gawor.
,,Heeft Agnes dan ook een speciale kracht?”
,,Jazeker,” lacht Gawor, ,,Zij kan speren gooien met een bovennatuurlijke kracht. En die speren raken altijd haar doel, maakt niet uit wat de omstandigheden zijn.” Dagarik luistert met verwondering toe en merkt niet op dat Gar’Dal naar hem kijkt, totdat hij de jongen aantikt en zegt: ,,Dagarik, kan ik je even onder vier ogen spreken?” Gar’Dal loopt weg van het vuurtje en wendt zich tot Dagarik. ,,Zou ze echt een halfgodin zijn?” vraagt hij. Dagarik haalt zijn schouders op en antwoordt: ,,Ze krijgt niet voor niets zoveel respect en we hebben nu zowel van haar moeder als van Gawor gehoord dat ze bijzonder is. En die twee kennen elkaar helemaal niet. Dan moet er toch wel iets van waar zijn?” Gar’Dal knikt, terwijl hij nadenkend voor zich uit kijkt. ,,Laten we haar morgenochtend benaderen,” stelt Gar’Dal voor, ,,Ik wil wel eens weten wat zij daarover te zeggen heeft.” Dagarik gaat ermee akkoord, waarna het gesprek ten einde komt. En nadat de groep elkaar een goede nachtrust toe heeft gewenst, valt die langzaam uit elkaar en zoekt iedereen zijn tent op.
De volgende morgen komt de groep weer in onregelmatig tempo weer bij elkaar. Dagarik en Gar’Dal zijn als één van de eersten weer op en hebben een krijger tegen hen horen zeggen dat hij op jacht ging met zijn arend. Daarna stroomt de kring rond het brandend vuurtje verder vol. Gar’Dal en Dagarik besteden er niet veel aandacht aan, totdat Agnes uit haar tent tevoorschijn komt. Dagarik merkt het in eerste instantie niet, omdat hij om zich heen kijkt naar de bergen. Er zijn niet veel wolken meer en de wolken die er zijn, zijn spierwit, waardoor de overgang tussen besneeuwde bergen en wolken nog moeilijker zichtbaar is. Dagarik wordt aangestoten door Gar’Dal en zonder dat die wat zegt begrijpt Dagarik de bedoeling en staat met Gar’Dal op. Ze lopen naar Agnes toe en vragen of ze haar kunnen spreken. Zij hoort het met zichtbare verbazing aan, maar loopt uiteindelijk met hen mee. ,,We hoorden van jouw moeder… eigenlijk van jouw opa dat jij best wel bijzonder bent,” begint Gar’Dal voorzichtig, ,,En nu hoorden we ook van Gawor dat jij speciale krachten hebt. Ik weet niet goed hoe ik dit moet zeggen, maar…”
,,Ben jij een halfgodin?” vult Dagarik aan en Agnes kijkt de twee met grote ogen aan. Het is niet duidelijk of het verbazing alleen is of dat er ook angst in verborgen zit. Uiteindelijk knikt ze voorzichtig, terwijl ze Gar’Dal en Dagarik nog aandachtig aankijkt. ,,Als dat zo is, dan heb jij als het goed is ook een bijzondere droom gehad,” stelt Gar’Dal, waardoor Agnes met nog meer verbazing en met lange tanden blijft aankijken. Dan vindt Gar’Dal het wel tijd worden voor een nadere toelichting en zegt: ,,Wij zijn namelijk ook halfgoden.”
,,Dus jullie hebben die droom over de twee oppergoden ook gehad?” is het eerste wat Agnes zegt en Dagarik knikt. Agnes kijkt ze wantrouwend aan als ze zegt: ,,En ik neem aan dat jullie de kant van Deventhear kiezen, omdat jullie de oorlog proberen te stoppen?” Dagarik knikt nogmaals en Agnes haalt opgelucht, diep adem. Maar daarna stokt haar adem weer en kijkt ze de twee vrienden ernstig aan. ,,Jullie moeten iets voor me doen,” zegt ze, ,,Jullie moeten met me mee naar de stad Nornos.” Dagarik en Gar’Dal kijken elkaar verbaasd aan. Nornos? Wat wil Agnes daar doen?
 

RabbidRobin

Ex-Teamleider Forum
Het verhaal van Ger'Sak

- 1 -

Alexander staarde in de verte. In de verte kon hij, nog net zichtbaar boven de bergen, een dikke wolkenmassa zien. Een groepje vogels kwam vanuit het Zuiden aangevlogen, weg van de wolken. Hij draaide zich om, en haastte zich naar de klokkentoren. Hij baande zich door de mensenmassa in de drukke marktstraten. Hij duwde mensen opzij, rende zo hard zijn voeten hem konden dragen. Hij kreeg wat woorden naar zich gegooid, maar de meeste mensen gingen niet uit de weg of duwden hem nog enigszins geërgerd na. Zo duurde het in zijn ogen veel te lang voordat hij bij de toren was. Hij grabbelde angstvallig in zijn zakken, maar toen hij de sleutelbos had gevonden en de juiste sleutel in het sleutelgat had gepropt, hoorde hij ze al. Hij keek omhoog en hoorde de raven overvliegen. Raven, tuurlijk, hoe kon het ook anders. Hij keek achter zich. De wolkenmassa had zich snel verplaatst. In de verte zag je de regendruppels het zicht al vervagen, hoorde je de donder en bliksem hun woede al op de aardbodem uitleven. Hij hoorde ook andere mensen het onweer opmerken. Er werd al geschreeuwd, mensen gingen al schuilen, marktkramers begonnen hun kraampje zo snel mogelijk af te breken en deuren gingen open, lichten werden aangestoken.

Alexander vloekte, hij zou nooit in de toren geraken. Hij moest de burgers waarschuwen. Hij ramde op de deur, probeerde hem open te krijgen. Maar tevergeefs. De sleutel was ondertussen op de grond gevallen, de storm kwam dichter en dichter. Een eerste bliksemschicht knalde neer op minder dan een kilometer afstand. Alexander raakte in paniek, de deur ging niet open, hij kon niet weg. Hij wilde ze waarschuwen. Kon het niet. Hij geraakte in de war. Blokkeerde helemaal, en werd pas verlost toen iets later het heft van een zwaard hard op zijn hoofd terecht kwam. Hij viel neer, de grond kwam steeds dichter. En tot slot zag hij nog net het hoofd van de stadswacht vooraleer hij het bewustzijn verloor.

Dat bewustzijn kwam niet veel later terug. Hij wreef over zijn hoofd en opende zijn ogen. Hij zat weer in de cel. Hij zuchtte. Hij had het echter goed bedoeld. Hij keek rond zich, en zat niet alleen in de cel. Ger'Sak zat in een hoekje, in hurkstand naar hem te lachen. 'Je hebt je best gedaan Alexander'. Alexander geraakte in de war. Hij had niets gedaan, gefaalde. Dat zou ie normaal doen, niet gewoon zeggen dat hij het goed had gedaan. Dit klopte niet, dit kon niet. Hij had het beter moeten doen, het eerder moeten zien aankomen, niet zo lang op de wei blijven treuzelen. Verder was hij er zeker van dat de sleutel die hij had niet paste, het kon gewoon niet anders. Die vervloekte connecties hadden niets geholpen, hij had de klokken niet kunnen luiden. Het volk was niet gevlucht . 'Je moet naar me luisteren, Alexander.', hij keek Ger'Sak terug aan. Concentreerde zijn volledige aandacht op zijn voorbeeld. 'Deze storm was nog maar het begin, Alexander. De stormen zullen groeien. En zij zijn nog maar het begin. De ondoden zullen komen, en ze zullen er plots staan. De mensen moeten de stormen ernstig nemen. Ik had gehoopt dat ze harder zouden zijn. Maar de vijand is slim. De stormen zijn slechts tekenen dat Zijn krachten groeien. De inwoners zullen het pas ontdekken als het te laat is. De vijand was nooit zo slim. We moeten hem nu stoppen, vooraleer hij te sterk wordt. Dat wordt de ondergang.' Een scherpe pijn volgde in Alexanders ogen.

Hij opende zijn ogen terug, maar zoals verwacht was Ger'Sak verdwenen. En niet veel later opende de deuren ook. Een scherp licht viel de kleine ruimte binnen. De contouren van een sterk, statig man wierpen een sterke schaduw in de kamer. Alexander keek op. De teleurstelling in de ogen viel tot daar af te lezen. Hij wist wie er stond, wie er altijd had gestaan en wie er altijd zou staan. Hij stond op, probeerde de glimlacht van zijn gezicht te halen en zette een stap richting de deur van de cel toen de welbekende stem hem opeens onaangenaam verraste 'Stop daar maar.'
 

RabbidRobin

Ex-Teamleider Forum
Het verhaal van Ger'Sak

- 2 -

Zijn zoon keek hem teleurgesteld aan. Alexander knipperde verbaasd met zijn ogen. Normaal gezien gedroeg hij zich anders, trok hij zich vrij weinig van zijn vader aan. Maar nu was er iets anders. Een soort van bezorgdheid. Zijn zoon had hem altijd voor gek verklaard wanneer hij de boodschap van Ger'Sak probeerde door te geven. Hij moest zijn medelijden al niet meer hebben, hij wou de waarheid niet voor ogen zien en was al bijna net zo vervelend. Hij had hem niet meer nodig, Ger'Sak zou hem wel beschermen. Waarom de nietsnut dan steeds maar weer voor hem opkwam en hem probeerde te helpen wist hij niet. Welk plan deze met hem had, was hem een raadsel. Hij probeerde het raadsel te ontcijferen, maar een diepe blik in de ogen van zijn nageslacht gaf hem weinig andere informatie. Hij gaf het maar op en besloot het op een 'Wat nu weer?' te gooien.

'De hoeveelste keer is het deze week dat ik hier sta, ouwe?' Alexander hief zijn hoofd terug op en keek recht in de ogen van zijn zoon. Zijn zoon was verward, de bezorgdheid had plaatsgemaakt voor woede, ongeloof en haat. 'Denk je dat ik of jij dit kan blijven uitstellen, vroeg of laat hang je. Letterlijk of figuurlijk. Het is tijd met dat stomme spelletje van jou, godverdomme.' Zijn zoon haalde uit en voor Alexander iets terug kon doen, voelde hij het brandende gevoel in de vorm van een hand op zijn rechterwang. De vlakke hand bracht hem uit concentratie en Alexander zakte naar links, in elkaar. Woede overviel hem, hoe durfde dat joch? Hij stond op, en wilde zijn zoon met gelijke munt terug betalen. Echter was deze verdwenen. Van veel verder klonk het nog 'De laatste kans, grijp hem.' Hij keek naar de wachters, die een stap opzij zetten en volgde de routine. Zijn zoon was gevlucht, die zou hij later nog wel te pakken krijgen. Hem zo belachelijk maken, hoe durfde hij! Alexander ging braaf tussen de wachters staan, die hem begeleidde naar het lokaaltje waar voor hem enkele spullen waren achtergelaten. Hij trok de warme kleren aan, schonk geen aandacht aan de andere prullen die in het kantoor lagen en stormde door de achterdeur naar buiten. Daar werd hij verrast door de plotselinge gure koude die hem om te oren sloog. Hij vloekte toen hij terugdacht aan extra trui die binnen lag en begon hij chagrijnig toch de weg terug naar huis. Het duurde lang, de koude had hem al bijna helemaal in haar bezit toen Alexander de deur van hun huisje toe sloeg en een luidde 'FELIX! Hier komen! Nu!' door het huis galmde. Hij werd beantwoord door een veelzeggende stilte die daarop volgde.

Na een half uur razen door het huis hebben lopen zoeken naar zijn verloren zoon, drong het tot hem door dat hij hier wellicht niet was. Hij staarde door het raam naar buiten en glimlachtte. Lang zou het niet meer duren. De koude had hem op de terugweg al zo verkleumd en afgekoeld dat zijn zoon het niet nog veel langer vol zou houden. Hij stond op en vervolgde zijn weg naar de keuken, zijn maag knorde, en het was tijd die eerst te vullen om vervolgens de zoektocht naar zijn zoon verder te zetten. Het stuk vlees lag rustig boven het vuur gaar te worden toen er luid op de deur werd geklopt. Een glimlach verscheen op Alexander's gezicht, hij had het bij het juiste eind gehad. Hij stond op, en liep op de deur af. Hij sloeg de deur met een ruk openen, om vervolgens zijn zoon niet voor hem te zien staan. De woede-uitbarsting die hij net los wou laten, kon hij nog maar net inhouden, toen de soldaat de berg eigendommen voor hem op de grond neerzette. 'Vergeet ze de volgende keer niet, of ze worden geconfisqueerd.

Alexander sloot de deur verward nadat hij het bergje had opgeraapt. Die avond vergat hij zijn eten. Hij viel in slaap in de ligstoel, de stoel die hij vlak voor de deur had gezet. Hij had de rest van de avond gewacht op Felix. Toen hij na enkele uurtjes nog steeds alleen op de stoel zat zonder dat er iets veranderde, viel hij geruisloos in slaap. Hij sliep niet goed, ergens miste hij zijn zoon. Hij zou het echter niet toegeven. Niet zolang het gevaar dreigde. Het dorp moest sterk zijn. Ze moesten voorbereid zijn. Klaar voor wanneer het zou beginnen.
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 19: Urzluk
Dagarik kijkt afwachtend naar Agnes. ,,Waarom wil je naar Nornos?” vraagt Gar’Dal. Agnes antwoordt: ,,Jullie zijn niet de enige halfgoden die ik heb ontmoet. Toen de legers van Noroth zich verzamelden ontmoette ik een jonge halfgod.”
,,En die is dus in Nornos, neem ik aan?” vraagt Gar’Dal.
,,Ja, maar niet zomaar. Hij zit daar gevangen,” legt Agnes uit, ,,Op het moment toen de aanval in Wolvzar begon waren wij beiden in Nornos. Of eigenlijk in de buurt. Wij stonden op verkenning in de bergen toen we de aanval zagen gebeuren en wij waren daarmee ook de eersten. Wij vonden daarmee dat we de rest in Nornos moesten waarschuwen, maar ook hulp moesten bieden in Wolvzar. Dus we splitsten op. De jongen ging de koning waarschuwen en ik ging naar Wolvzar om de inwoners te redden,” Agnes stopt met praten en kijkt de twee aan. Die blijven nog aandachtig hun blik op haar houden, waarna ze verder gaat: ,,Ik rende de berg af, maar het was alleen al te laat. Ik zag hoe iedereen werd afgeslacht en het zou zelfmoord zijn als ik verder zou gaan. Helemaal nadat ik zag dat een paar Sarische soldaten mij hadden ontdekt en de achtervolging inzette. Ze joegen mij de bergen in waar ik ze kon afschudden en daar hield ik me net zo lang schuil tot ik zeker wist dat ik van ze af was. Daarna ging ik terug naar Nornos, want daar zou ik wel gemist worden. Maar toen ik de bergen uitkwam, zag ik dat Nornos in brand stond,” Agnes valt eventjes stil en slikt. Dagarik ziet dat ze moeite doet haar tranen in te houden, ,,Ik was te laat,” zegt ze vervolgens, ,,Na Wolvzar was nu ook Nornos aangevallen en ik was er niet. Beide keren niet toen de Sari aanvielen,” Agnes probeert onopvallend haar tranen weg te vegen, maar dat mislukt volkomen. Dagarik ziet het zwijgzaam toe, maar met zijn gedachten zit hij in het verhaal en leeft hij mee met Agnes, ,,Ik haastte me naar de stad en daar zag ik Cur dapper vechten. Maar het had geen zin. Saroth was met teveel en we werden omsingeld. Wij moesten ons overgeven. Maar Cur liet niet toe dat ik gevangen zou worden genomen en liet mij ontkomen. Maar hij wilde niet met me mee komen. Hij offerde zichzelf op, zodat ik kon ontsnappen!” Agnes begint haar stem te verheffen en veegt haar tranen af. Ze lijkt klaar te zijn met haar verhaal en Gar’Dal slaat een arm om haar heen.

Enkele minuten blijf het zo. Agnes loopt te snikken, Gar’Dal blijft bij haar staan en Dagarik staat sprakeloos toe te kijken. ,,Ik moet hem bevrijden,” zegt Agnes uiteindelijk, ,,En jullie moeten me daarbij helpen.” Dagarik en Gar’Dal kijken elkaar aan communiceren non-verbaal. Gar’Dal schudt zijn hoofd, terwijl Dagarik knikt. Uiteindelijk laat Gar’Dal zien dat hij het toestaat en vraagt Dagarik: ,,Hoe weet je dan zo zeker dat die jongen nog leeft?”
,,Dat moet gewoon. Daar geloof ik in,” antwoordt ze. Er klinkt opeens meer felheid in haar stem. Ze slaat Gar’Dal van zich af en Dagarik kijkt haar aan zonder wat te zeggen. Agnes ziet dat en zegt: ,,Jullie zijn toch halfgoden? Dan moeten jullie toch nog hoop hebben? Juist daarom vertel ik dit alleen aan jullie, omdat ik had gehoopt dat jullie me zouden helpen.” Gar’Dal en Dagarik kijken elkaar weer aan, waarna Gar’Dal vraagt: ,,Heb je het aan verder niemand verteld dit?” Ze schudt haar hoofd: ,,Iedereen denkt dat ik dapper heb gevochten in Nornos en zelf heb weten te ontkomen.”
,,Dat klopt toch ook?”
,,Ja, maar dat ik werd geholpen door Cur heb ik achterwege gelaten,” antwoordt Agnes, ,,Ze weten niet dat hij zich voor mij opofferde en zien mij als de held.” Gar’Dal veegt zijn handen over zijn gezicht en zegt: ,,Je wilt dus die jongen, Cur, gaan redden met ons en jij denkt dat we dat zomaar kunnen?” Ze lacht en zegt: ,,Jullie hebben ook Blachis terug veroverd. Ik weet niet wat jullie krachten zijn, maar nuttig zijn ze wel.”
,,Ik kan onzichtbaar worden en Dagarik heelt snel. En jij kan dus speren hard gooien?”
,,Niet alleen speren. Ik kan elk voorwerp met een enorme kracht gooien. En met precisie,” zegt Agnes trots, ,,Maar doen jullie dus mee?”
,,Dat weet ik nog niet,” zegt Gar’Dal aarzelend, ,,Geef ons wat tijd om na te denken.” Agnes knikt en loopt weg, Gar’Dal en Dagarik achterlatend.

Die ochtend schiet de tijd voorbij. De sfeer zit er goed in. Er wordt gelachen rondom het vuur, sterke verhalen verteld en iedereen lijkt met elkaar overweg te kunnen. Dat er niet genoeg voedsel is lijkt niemand om te piekeren. Dat er geen bezetters zijn en iedereen zonder angst kan leven blijkbaar genoeg om blij over te zijn. Maar Agnes, Gar’Dal en Dagarik zijn opvallend minder blij dan de rest. Agnes en de twee zitten wel apart, maar houden oogcontact. Uiteindelijk stapt Gar’Dal met Dagarik naar Fitor en Micha toe. ,,Kunnen we jullie even spreken?” De broers knikken en lopen met hen mee, waarna Gar’Dal vertelt wat Agnes hen heeft verteld. ,,We zijn hier pas net,” brengt Micha ertegenin, ,Willen jullie nu al weer door naar Nornos?” Gar’Dal haalt zijn schouders op en zegt: ,,Dagarik is de eerste andere halfgod die ik ontmoette. En nu Agnes. Ik ben wel benieuwd naar andere halfgoden. Die jongen waar Agnes het over heeft kan ons misschien wel weer helpen in de oorlog.”
,,Maar als we ons houden aan ons oude plan komen we er misschien ook al,” zegt Fitor, ,,En daar hoeven we niet een half continent nog door de hoeven trekken.”
,,We hebben geen oud plan,” zegt Gar’Dal, ,,Het oude plan was in Blachis blijven en daar zijn we de eerst volgende dag dat we er waren al uit vertrokken.”
,,Ja, daar heb je gelijk in,” zegt Fitor en Dagarik gelooft nauwelijks wat hij hoort. Is dat Fitor die zegt dat hij fout zit? Dat is ook voor het eerst! Helaas gaan de anderen daar niet op in en Dagarik durft het zelf ook niet te zeggen. ,,Maar daarom wilde ik jullie mening horen,” vertelt Gar’Dal, ,,We moeten nieuwe plannen maken.”
,,Ik vind dat we zo snel mogelijk de Sarische koning moeten aanvallen,” zegt Micha, ,,Maar eerst moeten we op krachten komen en dat kunnen we alleen doen door eerst uit te rusten.”
,,Dus je wilt een lange, gevaarlijke reis maken naar een stad bomvol verdediging?” vraagt Fitor, ,,Ik vind juist dat we weer terug moeten naar ons oude plan: Terugkeren naar Blachis en daar een hinderlaag op zetten.” Gar’Dal krabt nadenkend op zijn hoofd, terwijl Micha instemt met het plan van zijn broer. Gar’Dal wendt zich tot Dagarik en vraagt wat hij ervan vindt, maar Dagarik haalt zijn schouders op en zegt: ,,Ik zou ook graag nog een halfgod willen ontmoeten, maar zoals Fitor zegt is de reis behoorlijk gevaarlijk.”
,,Dus jij stemt voor teruggaan naar Blachis?”
,,Dat lijkt me ook niet zo een goede optie,” antwoordt de jongen, waarop Gar’Dal concludeert: ,,Laten we het nog even afwachten en hier blijven, oké?” Iedereen knikt, waarop Gar’Dal zegt: ,,Laat ik Agnes dan maar het slechte nieuws vertellen.” Gar’Dal laat de rest achter en zoekt de vrouw in de donkergroene mantel op. ,,En?” vraagt Agnes, wanneer de man in de wolvenvacht op haar af komt lopen. ,,Sorry,” zegt Gar’Dal, terwijl hij zijn achterhoofd krabt, ,,Wij blijven hier, omdat het te riskant is om die reis te maken. Ik hoop dat je het niet heel erg vindt?” Agnes lacht en zegt: ,,Oh, nee, prima. Het zou leuk zijn als het wel kon, maar helaas. Het houdt op.” Gar’Dal knikt en loopt weg.

Die middag verloopt alles rustig. Maar de kou en het besef dat de vluchtelingen alles achter hebben moeten laten eist zijn tol. De sfeer is grimmig en de mensen zijn hongerig. Iedereen die kan jagen is aan het werk, behalve Gar’Dal en de rest. Ook Agnes is gewoon aanwezig. Zij staat soep te maken, totdat zij van haar ketel komt en naar de groep van Gar’Dal komt. ,,Ik heb iemand nodig om mee groenten en fruit te verzamelen,” zegt ze, ,,Dagarik, kun jij mij helpen?” Dagarik kijkt de rest aan. Die keuren het goed door een kort knikje te geven, waarop Dagarik naar Agnes knikt en met haar meegaat. Agnes pakt haar speer met de gouden punt en samen lopen ze uit het dorp. ,,Hoe heet dit dorp eigenlijk?” vraagt Dagarik.
,,Urzluk,” antwoordt Agnes en kijkt vragend naar Dagarik. Die knikt bij het horen van de naam. ,,Urzluk,” herhaalt hij, ,,Klinkt grappig. Wat betekent het?”
,,Tussenstop,” vertelt Agnes, ,,Dit dorp was vooral voor reizigers die lange tochten maken en onderweg door de bergen hier bij kunnen uitrusten.”
,,Wacht, bestond het dorp al langer?” vraagt Dagarik verbaasd, ,,Waarom wist dan niemand van dit dorp toen wij jou probeerden te evacueren?”
,,Omdat dit dorp achttien jaar geleden verwoest werd,” Agnes staat stil en lijkt meer te willen vertellen. Dagarik stopt ook en kijkt haar aandachtig aan, waarop Agnes verder loopt en met zucht zegt: ,,Het verhaal erom heen is even niet belangrijk.” Dagarik haalt zijn schouders op en loopt haar achterna. Maar het duurt niet lang voor Dagarik een nieuwe vraag stelt: ,,Is die speer echt van goud?”
,,Wat je ziet is goud. Maar dat is slechts een dun laagje over gewoon ijzer,” Agnes lijkt te zijn uitgepraat, maar voordat Dagarik nog een vraag kan stellen, zegt ze: ,,Het goud is vooral voor de sier, maar het zorgt er ook voor dat het ijzer niet gaat roesten. Ik heb het gekregen van de dorpsoudste nadat ik bandieten uit Blachis had verjaagd.”
,,Dus iedereen weet dat jij een halfgodin bent?”
,,Nee, absoluut niet,” lacht ze, ,,Het enige wat de mensen weten is dat ik een talent heb om met dingen gooien. En daar blijft het bij. Alleen speciale mensen zoals mijn grootvader en halfgoden die ik ontmoet weten mijn geheim. En natuurlijk mijn moeder, die zelf ontdekte dat ik een halfgodin ben,” Agnes stopt met haar verhaal, kijkt op en zegt boos tegen Dagarik: ,,Waarom vertel ik dit tegen jou? Hup, we hebben nog veel te doen.” Lachend loopt Dagarik met haar mee, verder de bergen in.

Elke dag wordt het steeds iets vroeger donker. Net zoals nu. De zon, die in het zuiden is opgekomen, gaat ook weer onder in het zuiden en laat de aarde in kou achter. De sterke wind neemt toe en de wolken houden de sneeuw niet langer in. Een kleine storm begint los te barsten, waarvan de omvang meevalt. Niemand maakt zich er ook zorgen over. Tegen de tijd iedereen is teruggekeerd met zijn of haar buit wordt er gewoon om een vuurtje in de buitenlucht gegeten. De storm wordt gewoon genegeerd, maar de mensen kunnen de kou niet negeren. Rillend zitten ze ingepakt tegen elkaar gedrukt. Ook het groepje van Gar’Dal, die rondom een vuurtje warm zijn eten naar binnen probeert te krijgen. En zodra het eten op is kan men niet wachten om zichzelf op te warmen in een warme, wollen slaapzaak. ,,Ik ga ook maar slapen,” zegt Gar’Dal geeuwend, ,,Welterusten allemaal.”
,,Slaaplekker Gar’Dal,” wenst Dagarik hem een fijne nachtrust toe, die samen met Agnes nog achterblijft. Gar’Dal staat op, rekt zich uit en verdwijnt in zijn tent. Binnen hoort Gar’Dal hoe de wind op de doeken tekeer gaat. Hij trekt zich er niet veel van aan, trekt zijn laarzen uit en begint zijn koude tenen te masseren. Nadat hij daar weer een beetje gevoel in heeft, wurmt hij zich met kleding en al in de slaapzak, die nog helemaal koud is. In de slaapzak blijft hij bewegen om het een beetje warm te krijgen. En nadat dat is gelukt, kan hij eindelijk gaan slapen, terwijl de slaapzak hem warm houdt.
De volgende morgen merkt Gar’Dal dat de storm in gaan liggen en wordt hij ontwaakt door het zonlicht dat door de tent heen schijnt. Hij trekt zijn laarzen aan en komt naar buiten, waar hij ziet dat Fitor, Micha en een paar krijgers al wakker zijn. Ze begroeten elkaar en Gar’Dal komt bij hen rond het smeulende vuurtje zitten. ,,Dagarik nog niet wakker?” vraagt Micha met een grijns. Maar Gar’Dal kan er geen grijns vanaf brengen en vraagt: ,,Die is toch al buiten?” De mannen halen hun schouders op, waarna Gar’Dal de tent nog eens nakijkt. Nee, er is niemand meer in, ,,Hij zit vast op het toilet,” zegt Micha, ,,Ik weet niet wat we gisteren gegeten hebben, maar mijn darmen gingen vannacht ook tekeer,” Micha grijpt ter illustratie zijn neus als hij verder gaat: ,,Arme Dagarik. Het stonk al behoorlijk in dat hok, maar dat is niks vergeleken met de geur die ik heb achtergelaten.” Er wordt volop gelachen en de sfeer begint er weer goed in te komen. Restjes voor vandaag worden opgemaakt en de ochtend verstrijkt op een gestaag tempo. Na een tijdje komt Gawor naar hen toe en vraagt: ,,Hebben jullie Agnes gezien? Ik heb haar hulp nodig, maar ik kan haar nergens vinden.” Gar’Dal schiet overeind en zegt: ,,Dagarik is ook al de hele morgen weg! Hier klopt iets niet.”
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 20: Dagarik en Agnes
Een valk laat zich door de wind meenemen over de hoge toppen van de bergen die Noroth rijk is. De arend komt over een plek waar rook vandaan komt. Het dier wordt nieuwsgierig en vliegt dichterbij, om te zien dat er allemaal mensen staan. Ze staan dicht bij elkaar en maken grote gebaren. Onder die mensen is Gar’Dal. Hij merkt de valk op en houdt het in de gaten. Maar helaas, het beest is niet die van Agnes. Terwijl de valk verder vliegt en achter de bergen verdwijnt, wendt Gar’Dal zich weer tot de krijgers. ,,Hoe bedoel je ‘ze is weg’?” vraagt één van de leiders geërgerd, ,,Ze was er gisteravond nog. Ze kan toch niet zomaar verdwijnen?”
,,Nee meneer,” zegt Gawor tegen de man die duidelijk hoger in de hiërarchie staat dan hem. Gar’Dal bekijkt de man. Hij heeft wit, kort haar en wat opvalt is dat hij in zijn baard twee vlechten heeft zitten. Voor de rest heeft hij zoals iedere Nori zware wenkbrauwen, een stevig gebouwd figuur en is hij gekleed in een dikke mantel van bont en wol.
De man begint te ijsberen en haalt zwaar adem. ,,Kijk wat er nog meer mist,” gaat de man verder, ,,Touw, voedsel, wapens, kleding et cetera. En begin bij haar hut.” De krijgers knikken en ze splitsen op. Het duur niet lang voor er iemand terug komt die wat heeft gevonden. ,,In de hut vonden we deze brief die was achter gelaten,” roept de krijger en overhandigt een stuk papier aan de man met de vlechtjesbaard. De man is snel klaar met lezen en kijkt gefronst op als hij zegt: ,,Waar lag dit?”
,,Onder haar bed,” antwoordt de krijger. De leider zucht en slaat zijn hand voor zijn gezicht. ,,En waarom is dit dan niet eerder gevonden? Als ze zoek is, dan kijk je toch eerst naar haar slaapkamer!” schreeuwt hij, waarna de krijgers in verdediging schieten. Maar Gar’Dal luistert niet echt. Zijn aandacht is gefocust op het papier en nadat de leider het stuk aan een ander geeft om daarna zijn onderdanen te kunnen slaan, kan Gar’Dal meekijken. ,,Wat staat er?” vraagt hij aan de man die het papier vast heeft. ,,Ben weg met Daga…” leest de man voor, terwijl hij probeert te ontcijferen wat er staat. Gar’Dal vult aan en vraagt: ,,Dagarik?”
,,Dat ja. Wie is dat?”
,,Dat is mijn vriend die ook zoek was,” legt Gar’Dal uit, ,,Wat staat er nog meer?”
,,Op weg naar Nornos, Niet agternaa gaan,” gaat de man verder, terwijl hij moet lachen om de spelling, ,,Binnen 2 weken trug.” Gar’Dal wrijft met zijn handen over zijn hoofd. Hij kan niet geloven dat Dagarik met haar is weggegaan, zonder iets te laten weten. ,,We moeten ze achterna gaan,” stelt Gar’Dal, ,,Ook al zegt het papier van niet, ik vind dat we dat moeten doen.” Gawor hoort hem, komt naar Gar’Dal toe en zegt: ,,Kansloos. Er is niemand zo snel in de bergen en met zoveel kennis ervan als Agnes. Zij heeft al een voorsprong van een aantal mijl. Die haal je toch niet in.”
,,En Dagarik?” vraagt Gar’Dal, ,,Die houdt Agnes op. Dan hebben we nog een kans.”
,,Oké, stel je hebt geluk en je vindt ze,” zegt Gawor, ,,Wat wil je dan doen? Ze overtuigen terug te komen? Want dat gaat je niet lukken. Ik ken Agnes en zij is zo koppig als een ezel.” Gar’Dal moet Gawor gelijk geven en druipt af. En terwijl er allerlei emoties zijn lichaam bespelen besluit hij om het nieuws maar aan Fitor en Micha te vertellen.

,,En zo ben ik dus terecht gekomen in Wesroth,” sluit Dagarik zijn verhaal af, nadat hij de halve reis zijn geschiedenis heeft verteld aan Agnes. Bepakt met rugzakken lopen de twee door de witte bergen. Agnes slaakt een diepe zucht. ,,Cur had ook al een vrij triest verleden,” zegt ze, ,,Alsof ik de enige halfgod ben die als een normaal iemand is opgegroeid.” Dagarik glimlacht en denkt aan Cur. Agnes had gisteravond het hele verhaal verteld. Urzluk, dat was het dorp waar Cur in een nabij gelegen grot werd gevonden. Naast zijn moeder, die was overleden. Agnes had verteld dat dat de reden was geweest om het dorp te verwoesten. Cur werd naar de stad Ruga gebracht, ten noordoosten van Urzluk, aan de kust. Hij werd gehaat en hij leidde een eenzaam bestaan als weesjongen. ,,Net als Gar’Dal,” wist Dagarik zich te herinneren, ,,Die werd ook gevonden. Maar hij werd gelukkig niet gehaat en kon blijven opgroeien bij zijn adoptievader.” Agnes had geknikt en vertelde toen verder over Cur. ,,Tot zijn veertiende groeide hij op in de straten,” zei Agnes, ,,Daarna was er een storm zo erg, dat de hele stad na een tijdje zou verhongeren, omdat het te gevaarlijk was om naar buiten te gaan en te jagen. Maar toen schoot Cur de mensen die hem zo haatte te hulp. Hij trotseerde de storm om te gaan jagen. En in die storm ontdekte hij zijn speciale kracht,” Dagarik weet nog dat hij oren spitste toen Agnes dat vertelde. Hij was erg benieuwd welke krachten er allemaal wel niet waren, ,,Het bleek dat hij dieren kan zien, hoe slecht het zicht ook is.”
,,Dus door de storm heen zag hij een dier?” Agnes knikte en Dagarik vroeg hardop hoe hij dat dan zag. ,,Toen ik hem leerde kennen heeft hij het me proberen uit te leggen, maar het is me nooit goed duidelijk geworden” was Agnes antwoord, ,,Mochten we hem nog eens tegenkomen, dan moet je het hem maar eens vragen.” Dagarik had gelachen, omdat hij toen niet besefte dat Agnes bezig was hem over te halen om naar Nornos te gaan. Dat realiseerde hij pas toen Agnes over het dorp begon: ,,Je vroeg wat Urzluk betekende. En nu zitten wij hier, zonder doel. Te wachten in deze tussenstop. Te praten over iemand die ik misschien nooit meer ga zien.” Dagarik voelde de bui hangen en probeerde een smoes te bedenken om weg te gaan, maar het was al te laat. Voordat hij iets had kunnen bedenken vroeg Agnes of het ook zijn plan was om hier te blijven en niet naar Nornos te gaan. Dagarik had eerlijk geantwoord en gezegd dat hij liever naar Nornos ging. ,,Maar de anderen hebben gelijk,” had hij er ook bij verteld, ,,Het is te gevaarlijk.”
,,Welnee joh,” lachte Agnes, ,,De reis ernaartoe is een peulenschil. Ik ken het gebergte op mijn duimpje. En de stad zelf is ook niet heel spannend. Ik weet alleen niet waar Cur opgesloten zit, maar daar kan ik zo achter komen.” Dagarik peinsde. Het klonk erg aantrekkelijk om die reis te maken. ,,Ik ga Gar’Dal proberen over te halen,” had hij gezegd en stond op, maar Agnes hield hem tegen door te zeggen dat dat niet nodig was. ,,Alleen wij tweeën is goed genoeg,” zei ze, ,,En ik heb liever zelfs zo weinig mogelijk. Alleen in mijn eentje is net weer te weinig. Dus wat zeg je ervan? Wij tweeën, een avontuurlijke reis en binnenkort een nieuwe halfgod in het team,” Dagarik moest toegeven: Agnes was behoorlijk goed in overtuigen. Ze zag dat hij nog twijfelde en deed er een schepje bovenop: ,,Ik zorg voor de hele voorbereiding. Jij hoeft niks te doen.” Dagarik was nu overstag gegaan. Voor hij het doorhad, was hij akkoord gegaan en had Agnes gezegd: ,,Uitstekend. We vertrekken morgenvroeg, voor zonsopkomst.” Agnes stond op en liet Dagarik als enige achter bij het vuur. Dagarik kan gisternacht en het gesprek nog goed herinneren en ziet de vlammen van het vuur nog voor zich. Hij herinnert zich ook nog het gezicht van de slapende Gar’Dal, die hij de volgende ochtend achter liet, zonder afscheid. Maar het was beter zo, volgens Agnes.

En nu loopt hij hier, in de bergen. Er is geen terugweg meer. Maar niet dat hij dat wil. Hij is erg benieuwd hoe Cur, de halfgod eruit zou zien. Dagarik besluit het aan Agnes te vragen. ,,Cur? Dat is een lieve jongeman met een mooi, gespierd en atletisch lichaam,” vertelt Agnes, ,,Hij heeft opvallende, groene ogen.” Dagarik probeert er een beeld bij te krijgen. En om het nog gedetailleerder te krijgen, vraagt hij: ,,En hoe oud is hij”
,,Ergens onder de twintig.”
,,En jij?”
,,Hoe oud schat je?” grijnst Agnes. Dagarik neemt de tijd om Agnes te bekijken en zegt na een tijdje: ,,Ook twintig?”
,,Ja, al in de twintig. 23 om precies te zijn. Bijna 24.”
,,Net zoals Gar’Dal,” merkt Dagarik op, ,,Die is ook 24,” Dagarik begint te glimlachen als hij eraan toevoegt: ,,Denk je niet dat jullie wel bij elkaar passen?” Agnes trekt een vies gezicht en schudt haar hoofd. ,,Ik heb het niet zo met mensen,” zegt ze, ,,Veel te ingewikkeld allemaal.” Dagarik lacht en zegt: ,,Waarom wil je dan zo graag Cur bevrijden?”
,,Omdat ik om hem geef. Maar daar blijft het bij.”
,,Zou ik ook zeggen,” grijnst Dagarik. Op Agnes’ gezicht is nog geen glimlach te bekennen, maar Dagarik weet dat ze het wel leuk vindt. ,,Nee, het is echt zo. Geef mij maar liever een dier. Die heb ik veel meer lief,” brengt ze ertegenin, ,,Vooral die wolf van Gar’Dal. Echt een schatje. Hoe heet die?”
,,Irath,” antwoordt Dagarik, ,,Maar daarom ben je dus vegetarisch?” Agnes knikt en zegt: ,,Als kind al vertikte ik het om vlees te eten, wat me al gauw een buitenbeentje maakte als inwoonster van het land met de meeste vleeseters. En waar meisjes van dezelfde leeftijd met poppen speelde, deed ik met de jongens mee en gooide stenen naar van alles en nog wat.” Dagarik lacht: ,,Dus het was niet een volkomen verassing dat jij het leger inging?”
,,Dat soort speculaties zullen vast wel over de tong zijn gegaan naarmate ik opgroeide.”
,,Dus er werd over je geroddeld?” vraagt Dagarik, ,,En toch had je een fijne jeugd?” Agnes schiet in de lach en zegt: ,,Ja, er werd genoeg over mij geroddeld en leeftijdsgenoten keken mij met de nek aan, omdat ik met jongens omging. Maar denk maar niet dat ik dat toestond. Want naast mijn afschuw om met poppen te spelen deed ik nog iets anders wat me meer een jongen maakte dan een meisje: vechten.” Dagarik grijnst van oor tot oor terwijl hij naar de verhalen van Agnes luistert. Sinds hij hoorde van deze vrouw wilde hij haar graag leren kennen en nu gaat die vrouw met hem om alsof ze goede vrienden zijn.
,,Maar dat is wel weer genoeg over mij,” sluit Agnes haar verhaal af, ,,Terug naar jou.”
,,Wat?” zegt Dagarik verbaasd, ,,Ik heb zo een beetje mijn hele geschiedenis verteld.”
,,Jaja, leuk verhaal hoor,” zegt Agnes op sarcastische toon, ,,Maar waar hadden we het ook alweer over? Oh ja. Hoe oud ben jij eigenlijk?”
,,Dertien,” zegt Dagarik, met toch nog een beetje trots in zijn stem. Agnes vraagt vervolgens: ,,En heb jij al een meisje op het oog?” Dagarik schudt uitgebreid zijn hoofd en probeert duidelijk te maken dat het een absurde vraag is. Maar het maakt Agnes alleen maar aan het lachen. Dagarik loopt vervolgens naar haar toe en stompt haar op de bovenarm, maar Agnes blijft door lachen en uiteindelijk lacht Dagarik ook. En met die goede sfeer blijft het tweetal verder door bergen lopen, door het sprookjesachtige landschap waar alles wit is.

Die avond wordt het kamp opgezet. Dagarik zet de tent op, terwijl Agnes het vuur aanmaakt en het eten begint klaar te maken. Vanuit Urzluk heeft Agnes wat eten meegenomen, maar onderweg heeft ze ook een handjevol bessen kunnen verzamelen. Het is niet veel, maar genoeg voor hen tweeën om niet te verhongeren. En onderweg wordt er ook gegeten wat er gevonden wordt. Pauzes hebben ze bijna niet, omdat het lichaam dan alleen maar afkoelt. En zo heeft Agnes nog een ander trucje voor in de bergen die nu van pas komt, na het eten: ,,Oké, sta op,” beveelt Agnes tegen Dagarik. Die kijkt verbaasd op, maar voordat ie kan doen wat Agnes van hem vraagt, trekt ze hem al overeind, ,,Voordat we gaan slapen moeten we ons even warm zien te maken, zodat we het niet koud hebben in de slaapzak.”
,,En hoe wil je dat doen?” vraagt Dagarik, waarop Agnes op haar plek begint te joggen en zegt: ,,Doe me maar na.” Dagarik wil in eerste instantie in opstand gaan, maar gehoorzaamt zonder wat te zeggen. En zo doen ze een paar oefeningen, totdat ze het helemaal warm krijgen. En ze schudden de benen los, om niet kramp of spierpijn te krijgen van de reis. Daarna gaan ze de slaapzakken in en Dagarik merkt dat de oefeningen hebben geholpen. Het is gelijk erg warm en de slaapzak houdt de warmte goed vast, waardoor Dagarik bijna gelijk als een blok in slaap valt.
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 21: De storm
De volgende morgen wordt Dagarik wakker geschud door Agnes. ,,We moeten verder,” zegt ze. Langzaam opent Dagarik zijn ogen en ziet dat het nog niet eens licht is. ,,Laat me nog even langer slapen,” kreunt Dagarik en hij draait zich om. Maar Agnes is daar niet van gediend en trekt als het ware Dagarik uit de slaapzak. ,,Geen tijd,” zegt ze, ,,We hebben vandaag haast.” Dagarik kijkt met een slaperige blik de vrouw aan en vraagt: ,,Waarom?”
,,Er is een storm op komst. Een hele grote,” zegt ze, ,,Dus we moeten snel weg om een schuilplaats te vinden.” Kreunend en klagend komt Dagarik vervolgens overeind en helpt Agnes met afbreken. Het is duidelijk te zien dat Agnes haast heeft, wat haar humeur niet ten goede doet. Ze loopt Dagarik continu te commanderen en bevelen te geven en wordt boos als hij het niet helemaal begrijpt. Maar Dagarik gaat er verder niet op in en negeert haar gedrag maar. Des te sneller het over is en ze weer op pad zijn. En zo gezegd, zo gedaan. Enkele minuten later lopen ze met ingepakte rugzakken weer door de bergen, terwijl rechts van hun de zon op gaat. De sfeer blijft alleen nog grimmig en er wordt geen woord gesproken. In plaats van naast elkaar lopen de twee nu achter elkaar. Agnes voorop, in stevige pas. Dagarik loopt achterop en kijkt Agnes niet eens aan. Hij houdt zijn ogen naar de grond gericht en kijkt naar waar hij loopt. Maar wanneer hij eenmaal opkijkt, buldert de wind langs hem heen en valt hij door de kracht van de wind bijna om. Gelukkig weet hij zichzelf op tijd te herstellen en is hij blij niet in de sneeuw te liggen. Maar Agnes lijkt nog niet echt blij te zijn. Ze kijkt om en zegt: ,,Doorlopen. We hebben weinig tijd meer.” Dagarik moppert in zichzelf, maar hard genoeg dat Agnes het kan horen. Maar die negeert het en loopt met hetzelfde, stevige tempo weer verder.

Tegen de middag stopt het duo ergens halverwege een berg om te eten en even te kunnen rusten. Agnes verdeelt het voedsel en zonder iets te zeggen eten de twee het op, terwijl de wolken boven hen zich beginnen op te stapelen en de eerste sneeuwvlokken al naar beneden beginnen te dwarrelen. Agnes staat weer op en Dagarik zucht. Hij heeft nog nauwelijks tot rust kunnen komen. Maar hij besluit er het beste van de te maken en vraagt: ,,Weet jij ergens een goede schuilplaats?” Agnes knikt en zegt: ,,In deze bergen zijn genoeg grotten. Maar het duurt nog even voor we bij een grot zijn groot genoeg voor ons tweeën,” Dagarik knikt en staat op, voordat Agnes nog er aan kan toevoegen: ,,Dus we hebben nog steeds erge haast.” Zonder verdere toelichting lopen de twee weer verder, maar nog altijd achter en niet naast elkaar. En zo lopen ze nog een aantal uur door, totdat hun ritme wordt onderbroken door een luid kraken. Agnes steekt haar hand op en gebaart te stoppen, maar het is al te laat. De grond onder Dagarik zakt in en Dagarik lijkt in een spleet te verdwijnen, maar in een flits schiet Agnes te hulp en grijpt op het allerlaatste moment zijn hand. Het sneeuw van de klif glijdt naar beneden en Dagarik volgt het terwijl hij daar hangt. Hij ziet dat de klif minstens een tiental meters diep is. Hij slikt. Natuurlijk kan zo’n val hem niet doden, want hij geneest wel. Maar het zou onmogelijk zijn geweest om met de middelen die ze hebben hem er uit te krijgen. Dagarik kijkt weer omhoog en pakt met zijn andere hand ook Agnes’ arm beet, waarna ze hem omhoog trekt. Door de gladde sneeuw en ijs gaat dat echter erg moeilijk, maar de sterke Agnes weet het uiteindelijk toch zover te krijgen. Met een laatste kreun tilt ze Dagarik over het randje, waarna hij languit op de rots gaat liggen, naast Agnes. Ze beginnen te lachen. Uiteindelijk staat Dagarik op en helpt Agnes weer een handje om overeind te komen. Daarna raapt hij haar speer op en geeft die aan haar, waarna ze naast elkaar verder lopen.

Enkele uren blijven de twee door de dikke sneeuw en met tegenwind doorlopen. Het is moeilijk te zeggen of de zon al onder is of dat hij gewoon verborgen zit achter de dikke stapels wolken. Hoe dan ook, het begint al behoorlijk donker te worden en de twee moeten echt opschieten, voor ze in een ravijn vallen of worden weggeblazen. ,,Hoever moeten we nog?” schreeuwt Dagarik, in een poging boven de wind proberen uit te komen. Het lukt en Agnes schreeuwt terug: ,,We zijn er bijna! Hou vol!” Dagarik knikt en probeert te doen wat ze zegt: volhouden. Door de sneeuw op de grond en de sneeuw die door de harde wind met een enorme snelheid tegen zijn gezicht vliegt is het erg moeilijk om vooruit te komen, maar hij blijft het proberen. En zo, na een tijdje, tikt Agnes hem aan en wuift. Dagarik gaat haar achterna dieper de bergen in en pas wanneer ze er vlak voor staan ziet Dagarik de grot. Zijn hart maakt een sprongetje en met zijn laatste kracht wurmt hij zich door de diepe laag sneeuw de berg op. En eenmaal binnen laat hij zich als een lappenpop naar binnen rollen. ,,We hebben het gehaald!” roept Dagarik, waarna hij zijn handen voor zijn oren slaat voor de onverwachte harde echo. Maar Agnes lijkt zich niet te storen aan het harde geluid en kan alleen maar glimlachen naar de jongen.
Ze gooien hun rugzakken van zich af en Agnes begint met het maken een vuurtje met de takken die onderweg zijn verzameld. Het kost enige tijd om de doorweekte takken in vlam te krijgen, maar nadat het is gelukt, kijkt Dagarik aandachtig de grot door. Het is een vrij kleine ruimte die via de opening naar beneden loopt, maar vervolgens vrij vlak is. Er ligt geen sneeuw of ijs binnen. Alleen oude sporen van vuurtjes die hier eerder zijn gestoken en zowel gladde als ruwe rotsen. Aan het plafond hangen stalactieten en het is grotendeels bedekt met roet. Vervolgens kijkt Dagarik achter zich, naar de uitgang, waar de wind en sneeuw als een dolle tekeer gaat. ,,We hebben geen tenten nodig,” zegt Agnes en Dagarik draait zich weer om en kijkt naar Agnes, ,,Alleen aan de slaapzakken hebben we genoeg.” Dagarik knikt en haalt de slaapzak van zijn rugzak en pakt die ook van Agnes, terwijl zij het eten bereidt. Zoals gewoonlijk is het niet veel, maar Dagarik merkt dat zijn maag er wel aan begint te wennen. En zoals ook een gewoonte begint te worden gaan ze na het eten wat oefeningen doen, waarna Dagarik direct zijn slaapzak induikt. Maar Agnes wacht nog even. Zij pakt een tak uit het vuur en Dagarik kijkt haar verbaasd aan. ,,Ik laat even weten dat wij hier zijn geweest,” licht ze toe, nadat ze de blik van Dagarik ziet, ,,Voor als er toch nog mensen ons achterna gaan.” Dagarik knikt en gaat liggen, dicht bij het vuur.

Slapen lukt niet echt. Hij zit rillend in de grot, ingepakt in zijn slaapzak. ,,Ik hoor je vanaf hier klappertanden,” echoot te stem van Agnes. ,,H-Heb jij het dan niet koud?” vraagt Dagarik met rillende stem. Agnes komt aangelopen en Dagarik ziet haar beven als een rietje. Ze knikt, ,,Zullen we dan nog een paar oefeningen doen om het warm te krijgen?” stelt Dagarik voor, maar Agnes schudt haar hoofd. ,,Ik denk niet dat dat nog zin heeft,” zegt ze. Ze slaat haar ogen neer en zegt met twijfel in haar stem: ,,Ik weet wel iets anders om het warm te krijgen, maar ik weet niet of het zo geschikt is,” Dagarik kijkt haar verbaasd aan en vraagt zich af waar Agnes het over heeft. Maar hij begint gelijk helemaal rood aan te slaan als Agnes het verder toelicht: ,,Als je zonder kleding tegen elkaar aan kruipt in een slaapzak warm je jezelf en de ander op met je lichaamswarmte.” Dagarik blijft met lange tanden en ogen wagen wijdt naar Agnes kijken. ,,Ik heb al met heel wat mannen in bed gelegen en dat was meer dan alleen liggen. Die waren alleen wel wat ouder,” zegt ze, ,,Maar dit kan toch wel?” Dagarik verroert geen vin en staat vastgenageld aan de grond, terwijl Agnes moet lachen om hem. ,,Nog nooit een meisje naakt gezien?” lacht ze en Dagarik schudt zijn hoofd. Hij merkt dat zijn hoofd knalrood wordt en het lukt hem niet om zich stil te houden. Hij weet niet of dat komt door de kou of door de zenuwen. Waarschijnlijk allebei. Agnes komt dichter naar hem toe en het liefst wil Dagarik naar achteren stappen, maar zijn lichaam weigert en blijft staan. ,,Er is niets spannends aan, hoor,” zegt Agnes, ,,Anders ga jij eerst in de slaapzak en daarna ik, zonder te kijken. En in mijn slaapzak. Oké?” Dat ziet Dagarik wel zitten en knikt. Agnes draait zich om en Dagarik begint met uitkleden. Het gaat langzamer dan normaal en dat is te danken aan zijn zenuwen. Hij trekt zijn jas uit, zijn tuniek en broek, maar wacht nog even met het uittrekken van onderbroek. Eerst werpt hij nog een blik naar Agnes. Die geeft geen kik, waarop hij ook zijn resterende stuk kleding uittrekt en snel in de slaapzak kruipt. ,,Kan ik?” roept Agnes en het antwoord met een schorre stem komt van Dagarik vandaan. Dagarik draait zich om in de slaapzak en spitst zijn oren. Hij hoort touw losgaan en stof verplaatsen. Daarna hoort hij de adem van Agnes dichterbij komen en voelt vervolgens een hand die de slaapzak beet pakt. Na enkele seconden geeft Agnes klaar te zijn en draait Dagarik zich weer op zijn andere zij, om vervolgens het gezicht van Agnes veel dichterbij te zien dan normaal. Blozend kijkt hij in de bruine ogen van de vrouw, terwijl hij haar warme lichaam tegen zich aan gedrukt voelt. Vervolgens doet hij hetzelfde als zij doet en slaat hij zijn handen om haar heen. ,,Warm genoeg?” vraagt Agnes en Dagarik knikt. Vervolgens leunt Agnes haar hoofd tegen de schouder van Dagarik aan en zegt: ,,Welterusten.” Dagarik mompelt het na en blijft vervolgens met open ogen liggen, starend naar de rotswand en het vuurtje, terwijl de storm achter hem bulderend door gaat.

Het duurt wel een paar uur voor Dagarik zijn ogen kan sluiten. Hij voelt de handen van Agnes op zijn rug en haar lichaam tegen de zijne en kan zo niet in slaap vallen. Hij probeert zich ergens anders op de concentreren, maar dat gaat erg lastig. Uiteindelijk lukt hem en wordt hij uren later wakker, om vervolgens te merken dat de storm is gaan liggen en Agnes al de slaapzak uit is. Hij kijkt de grot door en ziet haar met de rug naar hem toe, al aangekleed, terwijl ze haar haren in een vlecht doet. Dagarik bekijkt haar en vindt het ergens jammer dat het afgelopen nacht niet verder is gekomen dan bij elkaar liggen. Maar hij weet ook dat het nooit zou kunnen werken tussen die twee, al gaat het alleen om het leeftijdsverschil. Dagarik zucht en staat vervolgens met de slaapzak op en springt naar zijn kleding toe, waarna hij zich aankleedt. Agnes begroet hem en gedraagt zich alsof er helemaal niets bijzonders is gebeurd. Met een kleine teleurstelling in de stem begroet Dagarik haar terug. En terwijl ze alles opruimen besluit Dagarik zich ook maar te gedragen alsof er niets is gebeurd. Maar het vergeten zal nog wel tijd kosten. Maar daar is ook niet heel reden toe. Nadat alles is ingepakt trekken de twee weer verder, als gewoon goede vrienden.
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 22: Het centrum (deel 1/2)
De dagen gaan redelijk snel voorbij. Agnes en Dagarik zetten hun tocht verder voort door de bergen, omdat de kans groot is ontdekt te worden als ze in het dal gaan lopen. En zo is er de afgelopen dagen niets bijzonders gebeurd. Af en toe heeft het nog gesneeuwd, maar dat heeft hun reis niet belemmerd. Maar toch komen ze met vreugde de bergen uitlopen wanneer voor hen Nornos ligt en zien dat het daar niet heeft gesneeuwd de afgelopen dagen. Dagarik kan zich bijna niet inhouden en wil zo snel als hij kan naar beneden hollen, maar Agnes houdt hem tegen door te zeggen: ,,Wacht. We moeten niet al te veel aandacht trekken. Blijf je normaal gedragen.” Dagarik knikt en loopt op normaal tempo de bergen af, met Agnes achter zich. En ondanks Agnes’ waarschuwing kan Dagarik het niet laten het gras te kussen wanneer ze eenmaal beneden zijn. Agnes schudt afkeurend haar hoofd. ,,Wat?” vraagt Dagarik, ,,Ik was even vergeten hoe gras er ook alweer uitzag en ik ben best wel blij het weer te zien.” Agnes blijft haar hoofd schudden, maar lacht wel. Vervolgens trekt ze Dagarik ruw overeind en zegt: ,,Kom, we zijn er nog lang niet.” Ze lopen nog enkele uren door het hoge gras, terwijl Agnes onderweg allerlei etensvoorwerpen verzameld. Dagarik kijkt om zich heen. De stad is achter de horizon verdwenen, maar de rook die van de stad komt is nog zichtbaar, waar de bergen achter verdwijnen. De bergen links en rechts van Dagarik en Agnes zijn echter nog volop zichtbaar. En voor de bergen links ligt een uitgestrekt meer. Vreemd genoeg wijkt Agnes van de route en loopt ze naar het meer toe. ,,Wat ga jij doen?” vraagt Dagarik verbaasd, terwijl hij Agnes achterna hobbelt richting het water. ,,Ik ga mijn speer hier verstoppen,” zegt ze, ,,Die valt teveel op en dat willen we niet.”
,,Maar dan ben je ongewapend,” brengt Dagarik ertegenin en Agnes lacht, waarna ze messen en dolken tevoorschijn haalt. ,,Het zijn geen speren, maar als er soldaten in Nornos zijn, dat zullen daar ook wel speren zijn die ik mag lenen.”
,,Wel weer terug geven, hè?” grijnst Dagarik en Agnes zucht: ,,Oké, vooruit dan maar,” Lachend lopen de twee verder. Na een tijdje start Agnes een nieuw gesprek. Ze wijst naar de bergen rechts en zegt: ,,Op deze berg waren Cur en ik toen Wolvzar werd aangevallen.” Dagarik bekijkt de hoge toppen en fluit. ,,Hoge berg,” zegt hij, ,,Hierachter ligt dus Wolvzar?” Agnes knikt en antwoordt: ,,Het is een mooie stad. Als de oorlog afgelopen is, dan neem ik je er wel een keer mee naartoe.”
,,Daar houd ik je aan,” grijnst Dagarik. Agnes glimlacht terug en het gesprek valt stil. Maar met de mondhoeken nog omhoog lopen de twee naast elkaar verder. Een uur of twee later stoppen ze om een pauze te houden. De laatste restjes worden opgegeten, in de hoop dat ze voor middernacht de stad hebben bereikt. ,,Heb je dan geld bij je?” vraagt Dagarik.
,,Ja, het is niet veel, maar in ieder geval genoeg voor kamer in een herberg een groot brood voor ons tweeën,” antwoordt ze, ,,En als we meer nodig hebben, stelen we het wel.”
,,Ervaring?” lacht Dagarik en Agnes haalt haar schouders op en zegt: ,,Ik had je toch al verteld dat ik vroeger geen lieverdje was?” Lachend peuzelt Dagarik het laatste besje naar binnen, waarna Agnes nog een droge opmerking maakt wat hem doet lachen: ,,Brood. Ik ben blij dat we straks brood kunnen eten in plaats van besjes. Anders zitten we straks beiden zwaar aan de diarree.” En met die woorden gezegd te hebben gaan de twee weer verder, vol verwachting op weg naar de stad.

De zon, die nooit boven de bergen in het zuiden is uit komen steken, gaat vrij snel weer onder en kleurt de rustige wolken boven Dagarik en Agnes roze. Maar ook dat verdwijnt snel. De lucht wordt donker en de sterren laten zich in de hemel zien. Dagarik bewondert ze, terwijl hij bijna struikelt omdat hij niet voor zich kijkt. Maar het gaat gelukkig allemaal goed en voordat Dagarik het in de gaten heeft roept Agnes dat de stad voor hen ligt. Dagarik kijkt op en ziet de grote, hoge muren van de stad die slechts tientallen meters voor hun ligt. En gelukkig, de poort is nog open. ,,Het wordt tijd dat we een achtergrond bedenken,” zegt ze. Dagarik begrijpt niet goed wat ze bedoelt, totdat ze begint te fantaseren: ,,Jij bent mijn kleine broer, genaamd Epsor en ik heet Sorophia.”
,,Zoals je moeder,” weet Dagarik, ,,En Epsor? Hoe kom je daar bij?”
,,Niet alleen mijn moeder heet zo. Het is een vrij standaard naam in Noroth. Net zoals Epsor.”
,,Oké, als jij het zegt,” antwoordt Dagarik, waarna hij de namen herhaalt, ,,Epsor en Sorophia. Moet lukken. Maar wat komen we hier doen?”
,,Wij komen uit Wolvzar en zoeken hier onze oom, waar we sinds de oorlog niets meer van hebben gehoord.”
,,Is dat wel realistisch?” vraagt Dagarik, ,,Dat we uit Wolvzar komen? Kan dat wel?”
,,Jazeker,” zegt Agnes met zekerheid, ,,De Sari bezet dan wel de steden, maar zolang zij het toestaan mogen inwoners de stad gewoon in en uit gaan.” Dagarik knikt. Het klinkt allemaal heel logisch. Maar hij heeft nog één vraag: ,,Houden we gewoon onze eigen leeftijden?”
,,Ik zou niet weten waarom niet,” zegt ze, ,,Het komt geloofwaardiger over en er zijn genoeg gezinnen waar er soms meer dan tien jaar tussen broers en zussen zitten.” Dagarik knikt nogmaals. Alles is duidelijk.
De twee komen aan bij de poort, waar ze door de wachters voor de poort worden beveelt stil te staan en te vertellen wie ze zijn en wat ze komen doen. Agnes neemt het woord en vertelt het verhaal wat ze met Dagarik heeft afgesproken. Of Epsor, in dit geval. ,,Oké, jullie mogen door,” luidt vervolgens de stem en de wachters stappen aan de kant. Maar voordat ze de poort door zijn, draait een wachter zich om en roept ze: ,,Wacht!” De twee draaien zich om en kijken de wachter aan. Die wijst naar de slinger van Dagarik die aan zijn broek hangt en zegt: ,,Geen gekke dingen doen, hè?” Dagarik knikt uitgebreid, waardoor zijn krulletjes op en neer dansen. De wachter laat ze daarna gaan en Dagarik zijn ogen uit kijkt bij het zien van de stad. ,,Welkom in de hoofdstad, Epsor,” zegt Agnes tegen hem met een knipoog.

De twee hebben enkele straten doorgelopen en gemerkt dat veel huizen en winkels zijn dichtgetimmerd. Daarnaast zijn er nauwelijks mensen op straat, waardoor het vrij moeilijk is een herberg te vinden die nog open is. Maar uiteindelijk lukt het ze om er eentje te vinden en wachten niet langer. Ze gaan naar binnen en komen erachter dat de prijzen voor kamers flink zijn gestegen. ,,Ik ben één van de weinige herbergen die nog open is,” brengt de herbergier ertegenin als Agnes vraagt waarom de prijzen zo hoog staan, ,,Dus ik kan doen met mijn prijzen wat ik maar wil. En als het je niet bevalt, dan zoek je toch een andere herberg?” Agnes gromt en grijpt de herbergier bij de strot. Gelijk slaat zijn stemming om en begint hij te smeken: ,,Oké, oké, jullie krijgen korting. Wat dacht je van 5 zilverstukken voor een kamer voor één nacht?” Agnes blijft de man met een woeste blik aankijken, waarop hij verder gaat: ,,3 zilverstukken?” Agnes laat hem los, graait in haar zakken en legt drie zilverstukken op de toonbank. ,,Afgesproken,” zegt ze vervolgens met haar liefste stemmetje. De man pakt een sleutel en overhandigt die dan aan haar. Daarna verdwijnt ze met Dagarik de trap op en haalt de herbergier opgelucht adem. In de kamer staan twee aparte bedden opgemaakt met in het midden een raam met uitzicht op de straat. Zonder na te denken gooien de twee hun rugzakken van zich af en duiken gelijk in de bedden. ,,Nooit gedacht dat ik een bed zo erg zou missen,” kreunt Dagarik, terwijl hij languit op het zachte matras ligt. ,,Jij moet niet zeuren,” zegt Agnes. In haar stem is te horen dat ze het niet serieus bedoelt, ,,Ik ben al helemaal vergeten hoe een bed voelt.”
,,En? Voelt het goed?”
,,Heerlijk,” zegt ze en ze slaakt een diepe zucht. Het blijft even stil als Dagarik zegt: ,,We zijn vergeten brood te halen.” Agens kreunt en vraagt vervolgens: ,,Moet dat dan? Kunnen we het niet morgen doen?” Dagarik ligt met zijn rug op het bed al met ogen gesloten. Hij geeuwt en antwoordt: ,,Ja, prima. Dan gaan we eerst slapen.” Het wordt stil. De twee liggen met kleding en al in de bedden en dat komt niet doordat het hier zo koud is. Voordat ze zich konden uitkleden zijn ze al in slaap gevallen.

Die ochtend wordt Dagarik gewekt door een rommelende maag. Langzaam rekt hij zich uit en komt hij overeind. Hij kijkt naar het bed aan de andere kant van de kamer en ziet dat Agnes daar nog ligt. Ze lijkt nog te slapen, maar plotseling zegt ze: ,,Ook al last van een lege maan?” Ze trapt de dekens van zich af en klimt onder luid gekreun haar bed uit, ,,Goed, we moeten nu echt brood gaan halen.” Dagarik knikt en staat ook op en ruikt vervolgens zijn eigen geur. ,,Voordat we onze ‘oom’ gaan bezoeken,” zegt hij, terwijl hij met zijn handen de aanhalingstekens afbeeldt, ,,Kunnen we niet eerst een badhuis bezoeken?” Agnes schudt haar hoofd en zegt: ,,Ik zou ook graag willen, maar daar hebben we echt geen tijd voor,” Dagarik slaat teleurgesteld zijn ogen neer en blijft daar voor zijn bed staan. Agnes loopt weg en zegt: ,,Ik ga even de toilet opzoeken en daarna gaan we, oké?” Dagarik knikt, maar nadat Agnes er vanaf komt besluit Dagarik ook te gaan. ,,Geen zorgen,” zegt Agnes wanneer ze uit het hok komt, ,,De bessen hebben nog niet hun werk gedaan.”
De twee struinen een hele wijk af op zoek naar brood en nadat ze daarmee zichzelf tonnetje rond hebben gegeten, starten ze de zoektocht naar de gevangenis. Ondertussen lopen er wat meer mensen in de stad dan afgelopen nacht, maar geen van hen wil iets kwijt over de gevangenis. ,,De wonden van de oorlog zijn nog niet gedicht,” zucht Agnes, ,,Misschien moeten we het anders proberen.” Voordat het bij Dagarik begint door te dringen wat ze daarmee bedoelt, heeft Agnes al een willekeurige voorbijganger in een steegje gesleept. Ze duwt de arme, oude man tegen de muur en vraagt: ,,Waar is de gevangenis?” De man kijkt haar angstig aan, maar zegt niets. Daarop besluit Agnes hem wat meer te motiveren en haalt een dolk tevoorschijn. Ze duwt die tegen de keel van de man aan en vraagt haar vraag nogmaals. ,,In het centrum van de stad,” klinkt de krakerige stem, ,,De gevangenis is helemaal onder de grond.”
,,En hoe vinden we het dan?”
,,Het ligt onder het koninklijk paleis. Dat gebouw is niet te missen,” zegt de man, ,,Ik weet niet wat je van plan bent, maar naar binnen gaan is zelfmoord!”
,,Dat zien we dan wel weer,” zegt Agnes. Vervolgens duwt ze haar dolk dichter bij de keel van de man en sist: ,,Dit gesprek is er nooit geweest.” De man knijpt zijn ogen dicht en smeekt om zijn leven, als hij wordt losgelaten. Wanneer hij zijn ogen opent is Agnes nergens meer te bekennen. Die loopt verderop met Dagarik aan haar zij door de straten. ,,Was dat nou nodig?” vraagt Dagarik aan haar. Agnes haalt haar schouders op en zegt: ,,Blijkbaar wel. Pas toen ik mijn dolk tevoorschijn haalde begon ie te praten.”

Zoals de oude man zei vinden ze het paleis vrij snel. En naast het paleis vinden Dagarik en Agnes ook een heleboel wachters die eromheen staan. Dagarik slikt en Agnes wendt zich tot Dagarik. ,,Op dit tijdstip is het te moeilijk om binnen te komen?” zegt ze. Dagarik kijkt haar verbaasd aan en herhaalt: ,,Tijdstip?”
,,Ja, het is nu nog te licht,” antwoordt ze, ,,We moeten wachten tot het donker is om naar binnen te komen,” Agnes graait vervolgens in haar zakken en telt het geld, ,,We moeten ons dus even zien te vermaken tot het donker is. Dus stinkerd, op naar het badhuis?” Dagarik grijnst en knikt en verlaat vervolgens met Agnes het plein. Die ruilen ze in voor een ander plein waar de lucht gevuld is met oliën, parfums en andere frisse aroma’s. Dagarik en Agnes kijken elkaar lachend aan en lopen vrolijk naar binnen. ,,De oorlog is gewoon nog bezig, maar het badhuis draait ook gewoon nog door,” merkt Agnes lachend op, kort voordat de vrouw achter de balie hen begroet, ,,Twee volwassenen,” zegt Agnes tegen de vrouw en legt het geld op de balie, waarna de vrouw twee armbandjes tevoorschijn haalt. De ene is rood en de ander is blauw. Agnes doet het rode bandje om en geeft de blauwe aan Dagarik, ,,Hoe laat spreken we af weer buiten te zijn?” vraagt Agnes. Dagarik kijkt haar verbaasd aan en beseft dan pas dat de vrouwen en mannen gescheiden zijn. Erg logisch natuurlijk, maar hij had er nog niet eerder bij stil gestaan en ergens vindt hij het ook wel jammer. Hij zucht. Misschien voelt hij dan toch nog iets meer voor haar dan hij zelf wil.
,,Hallo, Daga… eh… Espor?” verspreekt Agnes zich bijna. Dagarik schrikt op en zegt: ,,Eh… Over drie uur?” Agnes knikt en zwaait naar Dagarik, om vervolgens te verdwijnen achter een deur. Dagarik neemt de andere deur en ziet dat het vrij rustig is. Gelukkig, want het is de bedoeling om daar naakt in te gaan. En dat is Dagarik nog niet zo gewend. Hij kleedt zich uit en besluit om maar gewoon te genieten.

(Vervolg H22)
 
Laatst bewerkt door een moderator:

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

H22 1/2

Hoofdstuk 22: Het centrum (deel 2/2)
Met zijn hoofd half in het warme water ligt Dagarik met zijn ogen gesloten in één van de baden. Hij heeft nog nooit zo erg van water kunnen genieten als dat hij nu doet. En iets te veel. Hij schiet overeind en kijkt naar de grote klok. Hoe laat is het? Gelukkig, hij heeft nog tijd. Hij geeuwt en moppert in zichzelf dat hij er zo meteen uit moet. Maar met de gedachte dat hij straks mee gaat met een ontsnappingsactie in een zwaar bewaakte gevangenis lukt het hem om uiteindelijk het bad uit te stappen en zich af te drogen met de handdoeken die daar klaarliggen. Hij kleedt zich weer aan en loopt naar buiten, waar Agnes al op hem staat te wachten. ,,Was het water lekker?” vraagt ze en Dagarik knikt, terwijl hij bijna weg zwijmelt als hij weer aan het water denkt. Agnes lacht en nadat Dagarik zijn bandje weer bij de balie inlevert, lopen de twee fris en schoon het gebouw uit.
Onderweg vertelt Agnes dat ze heeft nagedacht hoe ze binnen kunnen komen. Het zijn duidelijk nog allemaal speculaties, maar het klinkt vrij aannemelijk. En beter dit dan geen plan. Ze lopen naar het paleis en bekijken grondig de omgeving. Het was het idee van Agnes om via een raam naar binnen te gaan en na even kijken vinden ze al snel een raam. ,,Kun je een beetje klimmen?” vraagt Agnes aan Dagarik op fluistertoon. Hij knikt en vraagt terug: ,,En jij?” Agnes lacht en zegt: ,,Ik ben de beste ijsklimmer van Noroth. Dus ja.” Dagarik grijnst en volgt Agnes vervolgens richting de muur. Agnes gaat eerst en Dagarik volgt. Het raam staat gelukkig open en zonder enige lawaai te maken komen ze binnen. Gelijk moeten ze zich verstoppen, omdat er een wachter door de gang loopt waar ze in terecht zijn gekomen. Nadat het stil is kijkt Agnes om het hoekje en wuift naar Dagarik dat de kust veilig is. Samen rennen ze door de gang, die rood van kleur is. Aan het plafond hangen talloze kroonluchters en aan de muren hangen schilderijen. Dagarik zou graag de tijd willen nemen de kunstwerken te bekijken, maar dat is helaas nu niet aan de orde. Hij loopt de gang door en komt uit in een trappenhuis. Precies waar ze op zoek naar zijn. Ze lopen naar de begane grond toe en zien daar een smallere trap die naar beneden gaat. ,,Ik durf te wedden dat die naar de gevangenis leidt,” fluistert Agnes. Dagarik knikt en gaat haar achterna naar beneden en komt terecht in een sobere gang, opgebouwd uit grijze, grote stenen. Aan de zijkanten zijn tralies te zien, wat het voorgevoel van Agnes en Dagarik bevestigd. Maar dat is niet het enige wat ze zien. Een wachter loopt door de gangen en draait zich om. Gelijk grijpt Dagarik naar zijn slinger, maar Agnes is hem voor. Zij gooit gelijk een dolk en raakt de soldaat in de nek. Met een doffe klap valt hij op de grond en ontstaat er een rode plas rondom zijn hoofd. Gelijk beginnen er allemaal personen achter de tralies tevoorschijn te komen, kijkend naar wat er gaande is. Agnes verzamelt de bos sleutels van de wachters en loopt door de gang en bekijkt iedere cel, terwijl de gevangen haar roepen en eisen eruit te worden gelaten. Maar Agnes is eerst op zoek naar iemand anders en roept diens naam: ,,Cur?” Een luid antwoord trekt vervolgens haar aandacht en ze rent naar een cel waar het geluid vandaan komt. ,,Agnes, je bent teruggekomen!” zegt de jongeman aan de andere kant van de tralies, ,,Wie heb je meegenomen?”
,,Dit is Dagarik,” antwoordt Agnes, ,,Dagarik, dit is Cur.” Dagarik bekijkt de jongeman. De omschrijving van Agnes klopte wel aardig. Hij is gespierd, heeft groene ogen en heeft een licht baardje. Waarschijnlijk was hij glad geschoren toen hij hier binnen kwam. Terwijl Dagarik hem bekijkt, zoekt Agnes de goede sleutel op. Plotseling klinkt er een andere stem die zegt: ,,Dagarik? Dat is een ongebruikelijke naam in Noroth,” Dagarik schrikt op. Hij herkent de hoge, vrouwelijke stem en loopt voorzichtig naar de cel waar de stem vandaag komt, terwijl er verder wordt gepraat: ,,Ik heb ooit eens een Dagarik ontmoet. Ik wist niet dat er meerde waren met die naam.” Dagarik komt aan bij de cel waar de persoon in zit en lijkt in één klap helemaal te bevriezen en zegt: ,,Roos?”
 
Laatst bewerkt door een moderator:

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 23: Reünie
Dagarik staat nog als bevroren voor de cel. Agnes opent snel de celdeur van Cur en rent naar Dagarik. Ze kijkt naar de cel en ziet daar een jonge vrouw staan met lichtblond haar en donkerblauwe, grote ogen met lange wimpers. Ze heeft een spits neusje en een strakke kaaklijn. Verder is ze vrij klein en is ze net zoals alle andere gevangen gekleed in een bruine, oude gevangenistuniek. Wat haar echter bijzonder maakt is dat haar handen ook vastgeketend zijn en zij een hele cel voor zichzelf, wat bij de rest niet zo is. ,,Wie is zij?” vraagt Agnes aan Dagarik. Hij antwoordt: ,,Roos. Een oude kennis van mij,” Hij pakt Agnes bij de schouders beet en zegt: ,,Zij moet ook mee.” Agnes knikt en gaat op zoek naar de juiste sleutels, totdat Cur eraan komt en zegt: ,,Wat? Jullie gaan haar toch niet bevrijden?” Dagarik kijkt hem raar aan en vraagt: ,,Waarom niet?”
,,Zij is verantwoordelijk voor al deze ellende!” probeert Cur Dagarik te overtuigen, terwijl ze naar het de jonge vrouw wijst, ,,Zij kwam met de schepen uit Saroth en maakte iedereen wijs dat ze van Wesroth waren!” Dagarik gelooft er niet veel van en reageert fel: ,,Als dat zo is, waarom zit ze hier dan opgesloten?!” Cur haalt zijn schouders op, waarop Dagarik zich naar Agnes wendt: ,,Je moet haar eruit halen!” Agnes kijkt vervolgens naar Cur, die zijn hoofd schudt. Vervolgens steekt Agnes de sleutel in de celdeur met de woorden: ,,Wat er precies aan de hand is zoeken we later wel uit. Maar als jij zegt dat ze mee moet, dan nemen we haar mee.” De deur gaat open en Dagarik stormt naar binnen en bekijkt de kettingen om de polsen van het meisje. Daar staan twee keer dezelfde nummers op. Dagarik roept het nummer, maar tegelijkertijd roept een man die bij Cur in de cel zat: ,,Eh, Cur? We krijgen visite.” Cur draait zich naar de man die op de trap staat en vraagt: ,,Hoeveel?”
,,Teveel om hier weg te kunnen komen,” zegt de man. Dagarik kijkt naar Agnes en die gooit de sleutel met hetzelfde nummer die op de kettingen staat naar Dagarik, waarna ze met de bos sleutels alle cellen langsgaat. Cur kijkt verbaasd naar Agnes en vraagt wat ze doet. ,,Als het aankomt op een gevecht hebben we alle mankracht nodig die we kunnen gebruiken.” Het gaat echter al snel mis wanneer één van de gevangen Agnes beet pakt en met een vieze grijns haar aankijkt. ,,Wel hallo, mooie dame,” zegt hij, terwijl hij met zijn tong zijn lippen afgaat. Maar kort daarop drupt er bloed uit zijn mond en Agnes stapt weg. Ze trekt de bebloede dolk uit het lichaam van de man, waarna de hij als een pudding in elkaar zakt. Het is even stil en alle blikken zijn op Agnes gericht ,,Als je wilt blijven leven, val dan de soldaten lastig,” zegt ze, ,,Niet mij!” Agnes raapt de sleutels op en geeft de sleutels aan de eerste de beste gevangene die de cel uitkomt en beveelt hem de andere cellen open te maken. Zelf rent ze naar de cel waar Dagarik bezig is, ,,Lukt het?” vraagt ze. Dagarik schudt, maar hij lijkt ongelijk te hebben nadat de laatste ketting los gaat. Dagarik helpt de jonge vrouw overeind, maar Agnes neemt het hardhandig over, drukt haar tegen de muur aan en houdt de dolk bij haar keel, ,,Ik weet niet wie je bent en waarom je hier zit, maar als je één van mijn vrienden iets aandoet, dan vermoord ik je. Begrepen?” klinkt het dreigement van Agnes. Het meisje knikt, maar lijkt niet echt onder de indruk te zijn. Vervolgens trekt Dagarik Agnes van haar weg en zegt tegen Agnes: ,,Wat bezielt je? Dit is niet nodig. Geloof me, Roos is te vertrouwen.” Agnes blijft haar strak aankijken en loopt na enkele tellen weg. ,,Hoe dichtbij zijn ze?” vraagt Agnes aan Cur, die ver van de trap staat. Maar toch weet hij met zekerheid te zeggen: ,,Ze kunnen elk moment de trap afstormen.” Agnes knikt, geeft een mes aan Cur en zegt: ,,Dit keer laat ik je niet in de steek. We maken samen het gevecht af.” Cur glimlacht naar haar, terwijl Dagarik en Roos naast Agnes komen te staan. Dagarik pakt zijn slinger erbij, terwijl op de stenen trap de voet van de eerste soldaat verschijnt. Agnes geeft aan te wachten, maar er wordt niet haar geluisterd door de gevangenen. Ze beginnen gelijk aan te vallen en de hel breekt los.

Ondanks dat de gevangen nauwelijks iets hebben om aan te vallen en de soldaten die zwaarbewapend zijn, weten de gevangenen goed stand te houden, het feit dat alle soldaten via die enen trap moeten. Het gaat zelfs zo goed dat Agnes, Cur, Dagarik en Roos, die in het midden van de gang staan, niets hoeven te doen. Ze staan toe te kijken hoe de lijken van de soldaten zich naast de trap opstapelen, die de gevangen maken met de zwaarden die ze hebben overgenomen. ,,Goed plan van je om alle gevangenen te bevrijden,” zegt Dagarik tegen Agnes. Maar plotseling komen er soldaten de trap af stormen die van top tot teen in een harnas zitten. De gevangenen proberen te steken met hun zwaarden waar ze kunnen, maar niets heeft effect. In plaats daarvan worden ze zelf doorboord met een zwaard. Agnes besluit een gokje te wagen en gooit één van haar dolken met een enorme snelheid en kracht richting de ridder en het lukt haar om net tussen te kijkspleetjes van de helm te gooien. Maar ze heeft er net één neer of er komen twee die zijn plek innemen. Maar vreemd genoeg doen de ridders niet hun best naar voren te komen. Ze stellen zich op enkele meters van de trap af en schieten alleen in de verdediging. En plotseling snapt Dagarik de bedoeling. Onder luid gedreun komt een ander persoon de trap af en Dagariks ogen sperren wijd open. Dat kan niet. Dagarik blijft enkele seconden voor zich uit staren voor hij het echt beseft. Het is de reus! De reus uit Razoth! Dagarik schreeuwt om zich heen dat de mensen de cellen in moeten, terwijl de reus zich opstelt. Maar het heeft geen zin. Niemand luistert naar hem, waarop Dagarik Agnes, Cur en Roos beveelt te bukken. En net wanneer hij ze zover heeft gekregen, laat de reus zijn kracht los en dendert een krachtexplosie door de gang. Eén voor één worden de gevangenen weg geblazen en tegen de achterkant van de gang gesmeten. Dagarik ziet kijkt ernaar en ziet de blauwe golf naderen, alsof het in slow motion gebeurt. Hij heeft de mensen om hem heen tot bukken gebracht, maar zichzelf redden lukt nauwelijks meer. De straal en de hitte naderen zijn gezicht, totdat Agnes hem naar beneden trekt. De explosie blaast hen alsnog weg, maar zonder grote gevolgen. De hitte en de andere effecten van deze kracht zijn opgevangen door de gevangenen voor hen. Na enkele seconden wordt het stil. Dagarik opent zijn ogen en kijkt om zich heen. Hij ligt ergens in een hoop met mensen, met een paar verkoolde lijken bovenop zicht. Hijzelf lijkt niets te mankeren, maar dat wil niet zeggen dat zijn team ook ongedeerd is. Angstig probeert hij zich te bevrijden, maar plotseling staat er iemand tegenover hem. Dagarik kijkt en ziet het gezicht van Aran-Gosh. ,,Wel, wel, wel,” grijnst de man met het golvende, blonde haar, ,,Als dat niet een oude bekende is.” Dagarik wil wat terug zeggen, maar een klap in zijn gezicht belemmert het. Alles wordt zwart voor zijn ogen en langzaam verliest hij zijn volledige bewustzijn.

,,Joehoe,” hoort Dagarik een stem in zijn hoofd echoën, ,,Is daar al iemand?”
,,Volgens mij moet je water gebruiken,” klinkt een andere, zware stem.
,,Nee, nee, nee. Hij komt al. Zie je? Zijn oogleden bewegen al.”
Dagarik opent zijn ogen en ziet vaag een paar personen voor zich staan. Hij kan alleen moeilijk zien of het nou echt meerdere personen zijn of maar één iemand is die hij dubbel ziet. Hij wil in zijn ogen wrijven, maar iets zorgt ervoor dat zijn handen op zijn rug blijven. Hij knippert een paar keer en ziet nu pas wat er aan de hand is. Hij is ergens in een ruimte die erg lijkt op de lange gang met cellen, maar toch totaal anders. Zelf zit hij vastgebonden op een stoel in de lege, kille ruimte. Voor hem staat de persoon die terug bij Razoth het kamp aanviel. Dagarik herinnert zijn naam nog. naast hem staat de reus, die Aran-Gosh daarmee had geholpen. Dagarik herinnert vaag zijn droom waarin hij die reus genas. Maar hoe kan dat nu werkelijkheid zijn? Hij kijkt verbaasd naar het grote gestalte met de wilde baard die hem streng aankijkt. Het blijft enkele tellen zo, totdat Aran-Gosh begint te lachen: ,,Je herinnert mijn vriend nog?” zegt hij met een grijns op zijn gezicht, ,,Goed hè? Hij was bijna dood, maar jij hebt hem gered.”
,,H-Hoe…?” stamelt Dagarik verbaasd, maar Aran-Gosh antwoordt niet. ,,Hoe gaat het met m’n jongen?” vraagt hij. Dagarik antwoordt niet en de commandant gaat verder: ,,Lukt het een beetje om een plan te trekken vanuit dat boekje?” Dagarik kijkt hem vol verbazing aan. Aran-Gosh ziet zijn blik en begint te grijnzen. ,,H-Hoe weet je van dat boekje?” vraagt Dagarik. Aran-Gosh pakt een stoel, neemt plaats tegenover Dagarik en begint te vertellen: ,,Omdat ik het zelf geschreven heb. Ik ga je een geheim vertellen,” Hij buigt zich dichter naar Dagarik toe en fluistert: ,,Ik ben net zoals jij en je vriendin een halfgod.”
,,Waar is Agnes?” reageert Dagarik plotseling fel. Aran-Gosh lijkt ervan te schrikken, maar begint vervolgens weer te grijnzen naar de jongen. ,,Oh, die vrouw bedoelde ik niet. Ik had het over Roos. Maar zij maken het goed. Maak je je daar maar geen zorgen over, hoor. Wil je niet weten hoe ik jou dat boekje heb geschreven?”
,,Je kan gedachten bedwingen?”
,,Fout,” lacht Gar’Dal, ,,Ik kan iemands hele lichaam overnemen. Dat heb ik dus met jou gedaan. Kan je je dat niet herinneren?” Dagarik schudt zijn hoofd, ,,Raar. Normaal als ik een lichaam overneem is de persoon gewoon bij zinnen. Hij heeft alleen geen controle meer,” vertelt Aran-Gosh, ,,Zo heb ik jou dat boekje laten schrijven en heb ik je T’yer laten genezen.” Dagarik kijkt hem verbijsterd aan en zegt: ,,Dus het was geen droom?”
,,Ah, je herinnert je dus toch wel iets,” lacht Aran-Gosh, ,,Maar je herinnert je niet meer dat je het boekje hebt geschreven?” Dagarik schudt zijn hoofd. Aran-Gosh fronst zijn wenkbrauwen en ondersteund met zijn hand zijn kin. ,,Blijkbaar is daarna je bewustzijn verloren,” constateert de commandant, ,,Niet gek, want het leverde ook enorm veel pijn op om iemand te genezen die bijna dood is. Maar we hebben het gelukkig gehaald.”
,,Waarom heb je mij dat boekje laten schrijven?” vraagt Dagarik, ,,Daarmee hebben we Blachis weten terug te veroveren. Ben jij dan niet voor de Sari?”
,,Oh, daar vergis je je in. Ik heb een goede verklaring voor dat boekje,” Aran-Gosh rekt zich uitgebreid uit en begint met vertellen: ,,Zodra ik je ontmoette in de bossen bij Razoth wist ik dat je speciaal was. En nadat jullie mij als gevangene meenamen, zag ik hoe jij een man wist te genezen, door zijn verwondingen over te nemen en vervolgens jezelf te genezen. En toen wist ik het zeker: Jij was perfect voor de missie die ik in gedachten had. Jij en jouw groep moesten de koning doden.”

Dagarik volgt er helemaal niets van. Aran-Gosh zegt wel aan de kant van de Sari te staan, maar wil ook dat de koning wordt gedood? ,,Als je lichamen van personen over kan nemen,” begint Dagarik, ,,Waarom laat je dan niet iemand anders de koning doden? Over neem je het lichaam van de koning over en laat je hem zelfmoord plegen!”
,,Goede vraag. Ook daar heb ik een goede reden voor,” vertelt Aran-Gosh, ,,Zie, net zoals toen ik jouw lichaam overnam om T’yer te genezen verloor ik bijna de controle. Want T’yer ging bijna dood, net zoals jij en dus ook ik. Jij zou dan weer kunnen herstellen, maar niet ik. Als namelijk de gastheer waar ik in zit dood gaat, dan ga ik ook dood. Dus als ik de koning zelfmoord laat plegen, teken ik ook voor mijn eigen dood. Hetzelfde als ik het rechtstreeks een ander laat doen. De koning wordt continu zo streng bewaakt dat het vrijwel onmogelijk is om de koning te doden zonder zelf dood te gaan.” Dagarik blijft zonder een spier te verrekken naar Aran-Gosh kijken. Hij snapt waarom iemand anders het voor hem moest opknappen. Maar hij snapt nog steeds een belangrijk detail: ,,Maar waarom wil je de koning dan dood?” vraagt Dagarik en Aran-Gosh begint weer zijn irritante grijns op te zetten: ,,Dat spreekt toch voor zich? Om zelf meer macht te krijgen?”
,,En waarom heb je mij dan precies laten opschrijven hoeveel soldaten waar staan? Dan was toch ook te verwachten dat wij soldaten zouden uitschakelen?”
,,Is dat dan erg?” Dagarik kijkt hem verward aan, ,,Oké, laten we een stapje terug gaan,” zucht Aran-Gosh, ,,Ik ben een halfgod. Ik heb net zoals ieder andere halfgod een droom gehad waarin mij werd gevraagd een keuze te maken tussen de twee oppergoden Deventhear, die vrede wilde, en Maeror, die chaos wil.”
,,Ja, dat snap ik. Jij hebt duidelijk voor Maeror gekozen.”
,,Precies,” zegt Aran-Gosh, ,,Dan moet je toch begrijpen dat ik dood en verderf wil?”
,,Door de oorlog te winnen met jezelf aan de macht?” Aran-Gosh lacht. ,,De oorlog is maar een klein deel van het totale plaatje,” zegt hij, ,,Ik wil inderdaad de oorlog winnen, maar dat is nog maar het begin.”
,,Hoe bedoel je?” vraagt Dagarik, zichtbaar met stomheid geslagen. Aran-Gosh vertelt: ,,Wil ik Maeror echt dienen dan moet elke beschaving, ook de Sari van de aardbodem worden weggevaagd!”
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 24: Dagariks verhaal
Het begint Dagarik allemaal te duizelen en bijna wil hij flauw vallen. Maar Aran-Gosh ziet de ogen van Dagarik draaien en geeft hem een zachte mep op de wang, ,,Niet wegvallen,” lacht hij. Dagarik kijkt hem aan en het is moeilijk af te lezen wat er door zijn hoofd gaat. ,,Jij bent gek,” snauwt Dagarik vervolgens, ,,Echt knettergek!”
,,Hoezo? Ik leef hier met een nobel doel,” brengt Aran-Gosh ertegenin, ,,Wat probeer jij dan? Deze oorlog stoppen? Denk je dat je daarmee de mensheid helpt? Er zullen altijd oorlogen zijn. Haat en dood zit bij de mensen ingebakken en ze zullen altijd elkaar de hersens blijven inslaan. Daar is niets tegen te doen.”
,,Jou van Garoth halen zal in ieder geval al voor heel wat vrede zorgen,” zegt Dagarik. Aran-Gosh schiet in de lach, ,,Hoe wil je eigenlijk aan de macht komen?” vraagt Dagarik daarna, ,,De koning bezetenen en jezelf tot onderkoning laten bekronen?”
,,Had ik je dat nog niet verteld?” vraagt Aran-Gosh en Dagarik kijkt hem verwonderd aan, ,,Als ik dat doe zal de koning toch uiteindelijk beseffen dat hij mij niet uit vrije wil heeft bekroond en hij heeft de macht om me die titel weer af te pakken. En omdat ik jou de moordtaak heb opgelegd kan ik niet zeker weten of de koning al dood is voor hij mij de titel kan ontnemen,” legt Aran-Gosh uit, ,,Nee, wat veel logischer is, is om de koning uit vrije wil iemand met macht te bekleden. En wat is nou beter om dat te doen door met hem te trouwen?”
,,Je wilt met de koning trouwen?” Dagarik kijkt hem stomverbaasd aan.
,,Ik weet dat het al behoorlijk ingewikkeld aan worden is, maar er komt nog wat bij kijken,” zegt Aran-Gosh, en Dagarik is benieuwd naar wat Aran-Gosh nog meer te vertellen heeft: ,,Er is nog een reden waarom ik jou uitkoos voor deze missie. Herinner je je Emine nog?” Dagarik knikt, ,,Wel, wij zijn twee goede vrienden van elkaar. En toen ik jou zag herinnerde ik de jongen die zij omschreef. Ze was jou kwijt geraakt en ik bedacht me dat als ik jou hier naartoe zou lokken, dan hoefde ze zelf niet de lange reis te maken,” licht Aran-Gosh toe, ,,Maar waarom ik je dit vertel? Wel, ik denk dat je het ondertussen wel kunt raden.”
,,Zij gaat met de koning trouwen?” gokt Dagarik en de commandant lacht: ,,Precies. Je bent wel slim. Geen wonder dat Emine je terug wil.”
,,Emine heeft ook een speciale kracht waarmee ze de koning makkelijk kan uitschakelen,” zegt Dagarik, ,,Waarom doet zij het dan niet?”
,,Omdat de koning van haar krachten weet,” antwoordt hij. Dagarik kijkt met gefronste wenkbrauwen naar de commandant en vervolgens naar de reus die T’yer wordt genoemd. ,,Waarom vertel je me dit eigenlijk?” vraagt hij aan Aran-Gosh, ,,Ben je niet bang dat ik de koning ga waarschuwen?”
,,Schreeuw maar zo hard je kan. We zitten in het paleis. De koning zit boven ons,” zegt Aran-Gosh luchtig, ,,Er is toch niemand die je zal geloven,” Dagarik kijkt fel naar Aran-Gosh, maar die blijft met zijn kalme blik tegen hem zitten, ,,Maar waarom ik je dit vertel is omdat ik nu wil dat jij gedwongen de koning gaat doden.”
,,Jij kan mij niet dwingen,” lacht Dagarik, ,,Al martel je mij met alles wat je in huis hebt. Ik heb ondertussen wel geleerd pijn te negeren.”
,,Dat is waar. Bij jou heeft martelen niet veel zin,” bevestigd de commandant, ,,Maar dat geldt niet voor jouw vrienden,” Er verschijnt weer een vuile grijns op het gezicht van de man, ,,Roos, zo een klein en schattig meisje die zichzelf de ‘nimf van de liefde’ noemt door haar stralende schoonheid. Maar hoe zou ze eruit zien als ik haar neus afknip, haar tanden er één voor uit laat trekken en haar vingers aan de honden voer? En Agnes, een taaie tante. Maar ze zou wensen om te worden gedood nadat mijn mensen met haar bezig zijn geweest. Maar nee, dat is nog maar het begin. Ze zullen net zo lang door gaan met haar martelen totdat jij precies doet wat ik zeg.”
Dagarik blijft Aran-Gosh dood wensend aankijken, maar tegelijkertijd lopen er tranen over zijn wangen. Aran-Gosh legt vervolgens zijn hand op de schouder van Dagarik neer en gaat verder: ,,Dat alles kun je voorkomen door alleen mij te gehoorzamen. Dat moet je er toch voorover hebben?” Langzaam verdwijnt de pit in Dagariks gezicht. Hij knikt voorzichtig en zegt: ,,Eerst wil ik mijn vrienden zien. Ik weten dat ze nog leven.”
,,Prima,” antwoordt Aran-Gosh direct, ,,Je mag bij ze in de gevangenis. En doe vooral wat je wilt. Vertel ze alles over mijn plan. Deel de gevoelens. Des te groter het gevoel van verlies wordt als je niet doet wat ik zeg.” Dagarik reageert er niet op en Aran-Gosh geeft een kort knikje naar T’yer. Die begrijpt de bedoeling, maakt Dagarik los en neemt hem mee.

Met een regelmatig tempo valt telkens een druppel ergens in de gevangenis naar beneden en komt terecht in een kleine plas met water, wat luid door de gang echoot. Het is het enige geluid dat te horen is. Voor de rest is iedereen doodstil. Ook vanuit de cellen waar Agnes, Cur en Roos in zitten komt geen geluid. Terneergeslagen zitten de drie allemaal apart in een eigen cel op de grond. Plotseling echoot door de gang een paar voetstappen en de drie kijken verrast op wanneer een celdeur open gaat en ze zien dat Dagarik naar binnen wordt gebracht. ,,Dagarik!” roepen Agnes en Roos tegelijk, maar de aandacht van de jongen gaat naar de reus: ,,Stop je ons allemaal in zulke cellen?” vraagt hij, ,,Ben je niet bang dat we ontsnappen?” T’yer laat zijn lage lach horen en antwoordt: ,,Eerst zien, dan geloven.” Daarna slaat hij de deur van Dagarik dicht en loopt hij weg. ,,Alles oké?” vraagt Roos en Dagarik knikt. ,,Aran-Gosh is iets vreselijks van plan,” zegt hij, ,,Ik heb hem totaal onderschat.”
,,Wacht. Wie is Aran-Gosh?” vraagt Cur, die in de cel tussen Roos en Agnes zit, ,,En waar ken je Roos van?”
,,Dagarik, jij hebt deels jouw verhaal al aan mij verteld,” zegt Agnes, ,,Maar ook ik volg er niks van.” Vervolgens komt Roos en vraagt: ,,Wat is er precies allemaal gebeurd?” Dagarik zucht en antwoordt: ,,Ik wil jullie wel het hele verhaal vertellen van begin tot heden, maar dan moeten jullie me één ding beloven,” Hij kijkt Agnes, Cur en Roos stuk voor stuk aan, ,,Jullie laten me uitpraten. Vragen stellen doe je op het eind. Duidelijk?” zegt hij in de wetenschap dat het een warrig verhaal gaat worden. De drie knikken. Dagarik neemt diep adem en begint te vertellen: ,,Het begon allemaal ongeveer tien jaar geleden. Ik had een moeder genaamd Emine. Ze had een eenvoudig huisje in de Sarische stad Khale waar ik ben opgegroeid. Ze behandelde me niet echt als een kind, maar als een knecht. Ik moest aan één stuk door klusjes in huis doen om eten te krijgen en ik werd hard gestraft als ik iets niet of onvolledig deed. Ik begon eraan te wennen, maar gelukkig werd ik zeker niet. Ik heb nooit buiten kunnen spelen en ik heb dus ook nooit vrienden kunnen maken. Als ik buiten was, dan moest ik in de tuin werken of haalde ik boodschappen. En zo ging dat dag in, dag uit. Totdat is acht jaar oud was,” Dagarik kijkt op van de grond en ziet dat zijn publiek nog aandachtig luistert. Hij gaat verder: ,,Emine riep mij bij zich met de boodschap dat ze iets belangrijks moest zeggen. Ik had geen idee waar het over zou gaan, maar ik kwam vrij nieuwsgierig naar haar toe. En wat ze vervolgens zei kwam zo een beetje neer op: “Dagarik, ik ben nooit je echte moeder geweest. Ik heb je geadopteerd en je nooit lief gehad. Het wordt tijd dat ik je verkoop.” En zo gezegd, zo gedaan.”

Dagarik stopt even met zijn verhaal en gniffelt om zijn eigen imitatie, waarbij hij ook de stem van Emine probeerde na te doen. Helaas lachen de drie tegenover hem niet en kijken hem afwachtend aan, waarop Dagarik zijn verhaal vervolgt: ,,Voor ik het wist werd ik verkocht aan een sadistische eigenaar van een mijn ten zuiden van Khale. Ik werd daar bepaald niet beter behandeld dan bij Emine, maar ik merkte wel dat ik dankzij Emine beter om kon gaan met het feit dat ik een slaaf was dan andere nieuwelingen in de mijn. Hoe dan ook, de eigenaar heette Baldor en liep altijd met een zweep rond waarmee hij willekeurige slaven om hem heen sloeg. Zeker als nieuweling was ik de dupe. De eerste keer sloeg Baldor bijna het leven uit me en liet mij voor dood achter. Gelukkig kwam een vrouw mij helpen. Zij was al langer een slaaf in deze mijn en had medelijden met me. Ze nam mij mee om me te verzorgen, maar kwam er toen achter dat al mijn wonden waren genezen. Ze vroeg aan me hoe dat kon, maar ik wist het ook niet. En vanaf dat punt begon ik te realiseren dat ik een helende gave had. Alleen die vrouw en ik wisten ervan en we probeerden het geheim te houden voor Baldor. Want als hij wist dat hij alles met me kon doen zonder dat het fysieke gevolgen heeft, zou hij me waarschijnlijk nog harder laten werken. Daarom schilderde de vrouw verwondingen op mijn rug, zodat het niet opviel dat ik genezen was. En na mijn jaren bij Emine begon ik te wennen aan de mijn en werkte ik er tot mijn twaalfde. Vier jaar lang dus. Maar ook daar kwam een eind aan. Een bizar en ongeloofwaardig eind. Het begin van het einde was de droom. De droom die alle halfgoden kregen,”
Dagarik kijkt zijn publiek aan en ziet dat die drie niet de enige zijn die luisteren. Zo een beetje elke gevangene die de aanval van T’yer heeft overleefd en hier weer zit, luistert mee. Maar het maakt Dagarik allemaal niet meer uit. Eerst was hij erg schuw over het feit een halfgod te zijn, in de angst dat zijn krachten zouden worden misbruikt. Maar nu kan het toch niet erger. ,,Ik vertelde de droom aan de vrouw en die wist gelijk de link te leggen tussen die droom en mijn gave. Ik wist dat ze gelijk had, maar ik hechtte er alleen niet zoveel waarde aan als zij. Maar zij gaf niet op. Zij zag de droom als een teken dat ik hier uit moest en trommelde zonder dat ik het wist andere slaven op voor een ontsnappingsactie. Maar om dit verhaal kort te maken: Het mislukte, iedere gevangene werd gedood en Baldor ontdekte mijn helende krachten. Oh ja, tijdens die ontsnapping leerde ik ook dat ik anderen kon helen. En daar kwam Baldor ook achter. Ik vreesde voor het ergste. En dat gebeurde ook. Althans, dat was Baldor van plan. Eerst wilde hij me straffen en hing me op in bloedhete zon, buiten de mijn. Maar ik hing er nog maar een paar uur toen de mijn onverwacht bezoek kreeg.”

Dagarik kijkt op en glimlacht naar Roos. Ze kijkt met een voorzichtige glimlach terug, maar in haar waterige ogen is medeleven en verdriet af te lezen. Dagarik werpt zijn blik vervolgens weer naar het algemene publiek. ,,Het was Roos,” vervolgt hij zijn verhaal, ,,Ik had haar nog nooit eerder gezien en zij mij niet. Zij wist ook niks over mij, maar toch had ze de drang om mij te kopen. Natuurlijk weigerde Baldor in eerste instantie, omdat hij een onuitputtelijke slaaf natuurlijk niet weg wil. Maar Roos, die afstamt van een rijke familie en sinds haar twaalfde al een eigen villa heeft met alles erop en eraan, bood uiteindelijk zoveel dat Baldor niet meer kon weigeren. Roos won dus en nam mij mee naar haar villa. Weer was ik erg schuw en ik dacht dat dit mijn nieuwe werkplek zou worden waar ik dag in dag uit klusjes zouden moeten doen voor een rijk meisje dat niets zelf kon. Jullie kunnen dan ook wel begrijpen dat ik raar opkeek toen ik werd gevoed alsof ik de prins van Saroth was en op dezelfde manier werd gekleed en behandeld. Ik werd gewassen en ik kreeg alles waar ik naar vroeg. Natuurlijk dacht ik dat het een valstrik was en bleef ik achterdochtig. Maar bij alles wat ik deed werd ik niet bewaakt en ik weggaan wanneer ik wilde. Voor een jongen die gewend was om alles in dwang te doen was dat natuurlijk een beangstigend gevoel. Ik snapte er niks van en het liefst wilde ik weer terug naar de mijn, naar de vrouw die die vier jaar voor mij had gezorgd. Maar zij was er niet meer en ik was hier,” Dagarik neemt weer een kleine adempauze, ,,Het begon me allemaal pas duidelijk worden toen Roos de volgende dag was vertrokken en een brief voor mij achter liet. Daarin schreef ze dat ze een halfgodin was en dat ze haar droom ging volgen. Ik hoef denk ik niet meer te vertellen over welke droom ik het heb. Ik was op dat moment alleen nog schuw en achterdochtig. Ik dacht dat ze onder een hoedje speelde met Baldor en via de slaven in de mijn te weten was gekomen over de droom. Alleen het was niet logisch dat ze dan zou vertrekken. Dus toen begreep ik dat het allemaal geen toeval was dat zij mij niet toevallig kocht, maar dat het een speling van het los was waarin zij mij vrijkocht. Helaas was ik daar te laat mee en werd ik overvallen door Emine, de vrouw die mij had geadopteerd. Zij had Baldor opgezocht en die had haar alles verteld. En het was natuurlijk niet zo moeilijk om de villa te vinden van een vijftienjarig meisje. Dus ze stond plotseling op de stoep en begon een verhaal te vertellen. Ze vertelde dat ik wist dat ik een halfgod was en onthulde zelf ook een halfgod te zijn. Ook dat leek mij sterk, maar toen de bewakers van de villa Emine de deur uit wilde werken, legde ze al die bewakers kronkelend van de pijn op de grond, met slechts één handomdraai! Zij wilde ook de droom volgen en probeerde mij te overtuigen om met haar mee te gaan. Daarbij gaf ze mij de keus om nee te zeggen en dat deed ik dan ook. Maar enkele dagen later kwam ze terug en ontvoerde ze mij. Ze gaf me alsnog de vrijheid om weg te lopen, maar had me al zo gemanipuleerd dat ik niet anders kon dan met haar meegaan. Wat haar plan precies was, wist ik niet, maar uiteindelijk kwamen we aan in Oasia, de hoofdstad van Saroth. Daar raakte ik haar echter kwijt en na enkele dagen zoeken besloot ik maar om mijn eigen plan te trekken. Het lukte alleen niet zo, totdat ik een bijzondere man ontmoette. Dit was nog allemaal voordat de oorlog eigenlijk was begonnen en hij wist een manier om de oorlog tegen te houden. Met de voorkennis dat er een vloot onderweg was gingen wij samen naar Wesroth en probeerde de koning te overtuigen ondersteuning naar Noroth te sturen. Dat plan mislukte dus en daar weten jullie alles van. Hoe dan ook, ik kreeg de schuld op me, omdat ik nog de enige was die als zondebok kon worden bestempeld, nadat de man met wie ik naar Wesroth kwam al dood was. Ik leidde daarna het bestaan als zwerver in de straten van Razoth tot op de dag de Sari besloot die stad aan te vallen, nadat ze al enkele steden op Wesrische grond hadden overgenomen.”

Vanaf hier kent Agnes het verhaal en terwijl Dagarik vertelt, knikt ze. Maar Dagarik had het verhaal over het boekje nog achterwege gelaten. Dat vertelt hij nu wel en ook dat het een valstrik was van Aran-Gosh, die de kracht heeft lichamen over te nemen. Hij vertelt hoe hij Gar’Dal leerde kennen en samen met hem en Fitor en Micha naar Noroth trok, wat ze onderweg allemaal hebben beleefd en hoe hij Agnes ontmoette. Het is een lang verhaal en Dagarik heeft totaal geen tijdsbesef meer. Maar zijn publiek blijft aan zijn lippen hangen en luistert aandachtig tot hij helemaal klaar is met vertellen. ,,En zo ben ik dus hier terecht gekomen,” sluit Dagarik zijn verhaal af, nadat hij heeft verteld over het absurde plan van Aran-Gosh om aan de macht te komen door de koning van Saroth om te laten leggen en om vervolgens de hele beschaving weg te vagen. ,,Dus na al die maanden hoor je eindelijk iets van Emine en hoor je gelijk dat zij samenwerkt met de grootste gek die de mensheid ooit heeft gekend?” vraagt Agnes vol verbazing. Dagarik knikt, ,,Ik ben zo stom geweest te geloven dat dat boekje een geschenk was van Deventhear om de oorlog te stoppen,” zegt hij, ,,Maar niets is minder waar.” Dagarik slaat zijn ogen weer naar de grond en er ontstaat een lange stilte, terwijl het druppen van de lek nog steeds doorgaat. ,,Wat ga je nu doen?” doorbreekt Agnes de stilte.
,,Ik ga doen wat Aran-Gosh van mij vraagt,” Dagarik kijkt op van de grond en zegt: ,,Ik ga de koning vermoorden.”
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 25: De voorbereidingen
Agnes, Cur en Roos kijken de jongen in de cel aan de andere kant van de gang overrompeld aan. ,,Waarom zou je dat doen?” vraagt Roos. Dagarik zucht en antwoordt: ,,Dat waren we ook eerst van plan. Of in ieder geval afzetten. Dus waarom nu niet?”
,,Omdat je nu weet dat hem vermoorden geen zin heeft,” zegt Agnes, ,,Dat snap je toch wel?”
,,Of het de oorlog stopt of niet, feit is wel dat die koning verschrikkelijke dingen heeft gedaan,” brengt Dagarik ertegenin, ,,Dus is het nou zo erg om hem te vermoorden? Ik denk het niet.”
,,Wat is er met jou gebeurd?” vraagt Roos, ,,De Dagarik die ik kende was lief en zacht en zou nooit iemand pijn doen.”
,,Nee, jij kent mij niet! Je wist ook niets over mij toen je me in huis nam!” snauwt Dagarik, terwijl hij erbij gaat staan, ,,En dan ben je ook zo naïef dat je dacht vrede te kunnen brengen door met een oorlogsvloot uit Saroth Noroth binnen te varen. Dit is allemaal jouw schuld!”
,,Dat heeft niks te maken met het vermoorden van de koning,” zegt Roos met ongerustheid in de stem, ,,Waarom denk je dat de koning vermoorden zinvol is?”
,,Omdat als ik het niet doe, jullie worden gemarteld en verminkt!” Het laatste roept Dagarik uit frustratie en het wordt weer helemaal stil. Alle drie kijken ze op een verschillende manier naar hem. Agnes staat en houdt de tralies vast, terwijl ze met gesloten mond naar Dagarik kijkt. Cur zit in zijn cel en lijkt in zichzelf te zijn gekeerd en Roos staat met haar handen voor haar mond. ,,Waarom zei je dat niet gelijk?” vraagt Agnes. Dagarik gaat zitten en zegt mompelend: ,,Omdat ik bang was dat jullie jezelf zouden opofferen voor mij,” Hij kijkt ze aan en gaat verder, ,,En ik meende wat ik zei. Die koning is een verschrikkelijke man en de wereld is beter af zonder hem.” Er valt weer een stilte. Uiteindelijk zegt Agnes: ,,Goed, jij hebt je keuze al gemaakt en ik sta achter je,” Cur en Roos knikken ook, waarna Agnes zegt: ,,Ik wil nu eigenlijk wel weten, Roos, wat je hebt gedaan en wat je van plan was.” Door de muren tussen de cellen kunnen de twee vrouwen elkaar niet zien. Dagarik kan ze wel beiden zien en het valt hem op dat ze beiden naar elkaar staan toegedraaid, alsof ze elkaar kunnen aankijken. ,,Mijn kracht is dat ik mensen verliefd kan maken op mij, waarna ik ze alles kan vertellen en zij mij gehoorzamen,” begint Roos, ,,Het plan was om beide koningen te treffen en ze beiden een vredesverdrag wilde laten onderte…”
,,Houd toch op,” onderbreekt Cur haar, ,,Je wilde gewoon Noroth aanvallen. Niemand die je verhaal gelooft,” Dagarik kijkt verbaasd naar de jongeman in de cel tegenover hem, ,,En jij maakt mensen niet verliefd,” gaat Cur verder, ,,Wat jij doet is gewoon mensen hersenspoelen en tot jouw slaafjes maken. Dat is geen liefde, dat is macht op mensen uitoefenen.”
,,Hoe ken jij Roos dan?” vraagt Dagarik en Cur lacht: ,,Wij zitten ondertussen al een tijdje in deze gevangenis. En natuurlijk viel het op dat een meisje de gevangenis in kwam, dus er werd gevraagd wie ze was en waarom ze hier zit,” antwoordt Cur, ,,En toen begon ze zo een beetje alles te vertellen wat er is gebeurd en wat haar plan was. Als je het mij vraagt is ze zo gek als een deur.” Dagarik wil hem net toesnauwen dat hij dat niet mag zeggen, maar dan begint Roos te vertellen: ,,Hij hebt gelijk. Het is niet echte liefde. Het enige wat ik doe is inderdaad de hersenen van een persoon aanpassen. Die maken een stofje aan die maakt de persoon helemaal gek op en loyaal aan mij,” legt Roos kalm uit, ,,Maar ik loog niet over mijn plan. Ik wilde vrede brengen door ze dus een verdrag te ondertekenen. Maar er ging iets helemaal mis. De Sarische soldaten aan boord van de vloot arresteerden mij en vielen Wolvzar aan toen plotseling een nieuwe vloot uit Saroth arriveerde.”
,,Dat krijg je met neppe liefde,” stamt Cur er nog even in, ,,Voordat je het weet is degene weer de oude en verraadt hij je.” Roos zucht. ,,Ja, je hebt gelijk. Jij ook, Dagarik. Het was inderdaad naïef van me.” Het wordt weer stil.

Zonder dat er nauwelijks iets wordt gezegd, verstrijken en een paar uur in stilte. Daarna komt T’yer de gevangenis binnen en loopt rechtstreeks naar de cel van Dagarik. ,,Kom je me weer halen?” vraagt Dagarik, maar de reus zegt niets. Hij opent de deur en sleurt Dagarik naar buiten, terwijl zijn vrienden Dagarik nog succes wensen. Vervolgens wordt hij de trap opgeduwd en komt hij weer in het trappenhuis. Maar in tegenstelling tot zijn verwachting wordt hij niet de andere kelderruimte in geduwd waar hij met eerder vandaag met Aran-Gosh had gesproken. In plaats van weer naar beneden gaan ze nu de trap op en komen ze in het paleis zelf. Het valt Dagarik op dat er meer wachters dan normaal zijn en dat er her en der mensen bezig zijn versieringen aan te brengen. Slingers worden aangebracht, er komen nieuwe schilderijen en de kunstwerken die er al hangen of staan worden gepoetst of ook versierd. Wat zou er gaande zijn? Dagarik besluit zijn vraag maar niet hardop te stellen, aangezien T’yer hoogstwaarschijnlijk toch niet antwoordt. Hij wacht af, terwijl ze het halve paleis doorkruizen en ziet dat het buiten nog steeds nacht is. Uiteindelijk komen ze aan in een grote, kleurrijke zaal met een hoog plafond. Aan de zijkanten staan pilaren waar verschillende familiewapens aan hangen. Ze zijn versierd met bloemen. In het midden van de zaal loopt een rode loper. Dagarik volgt de rode loper met zijn blik en ziet dat aan het einde van de zaal de troon staat. En daarvoor staat een bruiloftsboog. In de zaal zijn mensen bezig banken klaar te zetten en de zaal te versieren. ,,Is de bruiloft aankomende ochtend al?” vraagt Dagarik.
,,Nee, over twee dagen pas,” antwoordt T’yer, ,,Vandaag komt Emine naar de stad.”
,,Ik dacht dat ze hier al was,” reageert Dagarik verbaasd. Plotseling klinkt er een stem van achteren die zegt: ,,Als ze hier al was had jij haar natuurlijk al gezien,” Dagarik draait zich om en ziet Aran-Gosh. Dagarik ziet hem knikken, waarna de reus de jongen loslaat en wegloopt, ,,Emine is momenteel de baas in Wolvzar. Zij lijdt daar de stad, maar komt vandaag naar Nornos om voorbereidingen te treffen voor de bruiloft.”
,,Oké,” zegt Dagarik twijfelachtig, ,,Maar wat doe ik hier?”
,,Jij moet maar eens de handen uit de mouwen steken. Je kan helpen de zaal klaar te zetten,” Vervolgens keert Aran-Gosh zich naar een man die te herkennen is aan zijn sierlijke snor, Aran-Gosh roept een naam en de man draait zich om, ,,Dit is Dagarik. Hij komt helpen met opbouwen.”
,,Ah, dat komt goed van pas,” antwoordt de man. Dagarik kijkt hem aan zegt: ,,Zit jij ook in het complot?” De man kijkt hem raar aan, waarna Aran-Gosh Dagarik in het slaat. ,,Geloof niet alles wat je van hem hoort, kolonel,” lacht Aran-Gosh naar de man, ,,Deze jongen is verantwoordelijk voor de dood van een paar soldaten in Blachis. Hij lijkt onschuldig, maar je moet goed op hem passen.”
,,Kom helemaal in orde, commandant,” antwoordt de kolonel. Daarna loopt Aran-Gosh de zaal uit. Dagarik veegt over zijn neus en merkt dat zijn neus gebloed heeft. Het zal ondertussen wel weer zijn genezen, maar hij blijft naar de deur staren waar Aran-Gosh zojuist door verdween. In zijn hoofd gaat er van alles rond. Er zijn dus nog soldaten die niet van het plan weten om de koning te doden. Waarom neemt Aran-Gosh het risico hem dan hier neer te zetten? Misschien is het in scène gezet en is het een test of ik niet praat, denkt Dagarik. En terwijl de kolonel hem meesleurt, besluit hij zich stil te houden, maar zijn ogen en oren goed open te houden.

Door de ramen die aan de bovenkant van de hoge muren lopen vallen de eerste zonnestralen van deze nieuwe morgen naar binnen. Na de hele nacht op te zijn geweest eet Dagarik met de soldaten een ontbijt in de keuken. Dagarik heeft goed geholpen en mag daardoor ook mee eten. Maar er is nog wel een duidelijk onderscheid dat hij de slaaf is en de soldaten de baas. Want die zitten aan tafel gezellig bij elkaar te kletsen en Dagarik zit ergens in een hoekje op de grond. Maar het maakt hem niet zoveel uit. Hij krijgt goed te eten en daar doet hij het voor. Plotseling klinkt er een kabaal. Dagarik schrikt op en ziet dat er een schoteltje op de grond valt en de kolonel die staat. ,,Idioot,” roept hij en Dagarik is benieuwd wat er aan de hand is. Het gaat niet om dat schoteltje, want die liet hij zelf vallen toen hij opstond. De kolonel stampt naar een soldaat toe en grijpt hem bij de strot. ,,Wat staat daar?” snauwt de kolonel en wijst naar het aanrecht. Dagarik volgt de vinger en ziet daar een grote taart staan. Althans, een deel ervan. Een paar lagen ontbreken nog. De soldaat die wordt vastgehouden stottert: ,,De bruiloftstaart.”
,,Precies. Voor de koning dus,” zegt de kolonel boos met luide stem, ,,En jij dacht ‘laat ik met mijn bordje met eten waar noten in zitten langs de taart gaan’!”
,,Sorry,” roept de soldaat benauwd en Dagarik kan vanaf hier de zweetdruppels van zijn hoofd zien lekken, ,,Maar er is niets gebeurd. Het eten is uit de buurt gebleven.”
,,Leugenaar,” tiert de kolonel. Hij kookt van woede en schreeuwt: ,,Als jij daar staat met je eten ben je al veel te dicht bij de taart!” De kolonel slaat de soldaat in het gezicht en deze valt gelijk op de grond. Vervolgens veegt de kolonel zijn haren weer goed en lijkt hij te kalmeren, ,,Stop deze prutser maar weg in de kerkers,” beveelt de kolonel en komen twee soldaten hem wegslepen. Iedereen gaat weer verder met, maar de gezellige sfeer is wel weg. Ook bij Dagarik. Die herhaalt in zijn hoofd wat er zonet is gebeurd en staart naar zijn bordje. Maar lang de tijd heeft hij niet daarvoor. De kolonel komt naar hem toe en zegt: ,,Je hebt goed meegeholpen. T’yer komt je zo halen. Die zal je weer naar je cel brengen.” Dagarik knikt, staat op en ruimt zijn bordje op. Daarbij ruimt hij ook de andere bordjes op. De kolonel glimlacht bij het initiatief van Dagarik, maar dat is niet de reden waarom hij dat doet. Hij zoekt naar iets en vindt het ook: een los nootje. In een snelle beweging pakt hij het van één van de bordjes en verstopt het in zijn hand. Vervolgens zet hij ze neer op het aanrecht en loopt hij terug naar de kolonel, zonder in de buurt te komen van de taart. Ze kijken elkaar zwijgzaam aan, totdat T’yer verschijnt en Dagarik naar zijn cel wordt gebracht.
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 26: Emine
De voetstappen van Dagarik en T’yer die de stenen trap afgaan echoën door de gang. Maar er is niemand die omkijkt. Dagarik wordt slechts ontvangen door luid gesnurk. Het piepen van de opengaande deuren is het volgende geluid dat Dagarik hoort. ,,Gebruik je tijd,” bromt T’yer, ,,Over drie uur haal ik je weer op.” De reus doet de deur dicht en loopt de gevangenis uit. Dagarik wil gaan liggen op zijn bed als Agnes overeind schiet aan de andere kant van de cel. ,,Heb je het gedaan?” vraagt ze en Dagarik schrikt van de onverwachte vraag. Hij kijkt naar Agnes, die achter de tralies staat. ,,Ik dacht dat je sliep,” zucht Dagarik.
,,Nee, ik ben al een tijdje wakker,” antwoordt Agnes, ,,Ik gebruik mijn tijd om te trainen, maar ik houd dat verborgen voor de soldaten,” Dagarik knikt en gaat op zijn bed zitten. Vervolgens herhaalt Agnes haar vraag: ,,Heb je de koning nu al gedood?”
,,Nee, dat moet pas na de bruiloft en die is morgen pas,” zegt Dagarik met een grote gaap, ,,Ik weet ook nog niet wat het plan is, maar ik heb een ander plan.” Dagarik haalt het nootje uit mouw en laat het aan Agnes zien. ,,Wat is dat?” vraagt Agnes.
,,Een amandelnoot. Die zat in het brood wat ik vanochtend kreeg,” antwoordt Dagarik. Agnes kijkt hem raar aan alsof Dagarik gek is. Maar Dagarik gaat verder: ,,Ik heb gehoord dat de koning hier allergisch voor is.”
,,Dus je wilt de koning alsnog doden, maar dan buiten het plan van die commandant?”
,,Ik zal het uitleggen. De koning weet de krachten van Emine. Hij weet dat zij lichaamsfuncties uit kan zetten, daarom was het dus geen optie om haar de koning te laten vermoorden,” zegt Dagarik, ,,Maar als ik ervoor kan zorgen dat de koning deze noot naar binnen krijgt wanneer Emine in de buurt is, zal zij worden beschuldigd en ik hoop dat er dan genoeg chaos ontstaat dat ik kan ontkomen.” Agnes knikt met een grijns op haar gezicht. ,,Slim plan,” zegt ze, ,,Maar hoe wil je ervoor zorgen dat de koning die amandel binnen krijgt?”
,,Weet ik niet,” Dagarik haalt zijn schouders op, ,,De enige kans die ik tot nu toe had was de amandelnoot in de bruiloftstaart te stoppen. Maar het risico was te groot te worden gezien en de kans is te klein dat de koning net een stuk neemt waar de noot verstopt is.”
,,Ik zou die noot zo zijn keel in kunnen gooien als ik erbij was,” zegt Agnes, ,,Maar ik denk dat ik voorlopig nog wel hier zit.” Dagarik schiet overeind en loopt naar de tralies van zijn cel toe. Hij kijkt Agnes opgetogen aan. ,,Dat is het,” zegt hij enthousiast, ,,Jij moet op het moment van de bruiloft in de zaal zijn om de amandelnoot te gooien.”
,,Hoe? Want ik kan me wel ergens schuil gaan houden en die amandel gooien, maar het publiek zal alsnog iets door de lucht zien vliegen.”
,,Niet als we voor afleiding zorgen op het moment dat je gooit.”
,,Maar dan is het allemaal zo in scène gezet dat Emine niet de dader hoeft te zijn.”
,,Als we het goed doen, wel.”
,,Alsnog,” blijft Agnes ertegenin gaan, ,,Tot nu toe heb ik nog niks gevonden om te kunnen ontsnappen.”
,,Heb je wel goed gekeken, dan?” grijnst Dagarik en werpt vervolgens zijn blik op Roos. Hij roept haar naam, maar ze blijft doorslapen. Vervolgens tikt Dagarik op de tralies en schiet ze overeind, net zoals de rest van de gevangenen. ,,Wie doet dat?” moppert de één. ,,Ik lag net zo lekker te slapen!” klaagt de ander. Dagarik negeert het en blijft Roos roepen. ,,Wat is er?” kreunt ze na een tijdje.
,,Hoe maak jij mensen eh… verliefd?” vraagt Dagarik en Roos kijkt hem raar aan en vraagt: ,,Waarom wil je dat nu weten?”
,,Omdat ik wil weten of jij een bewaker kan bevelen ons hieruit te krijgen,” legt Dagarik uit, ,,Of in ieder geval Agnes.”
,,Daar heb ik een boog voor nodig,” adstrueert Roos kalm, ,,Zodra ik die span kan ik een liefdespijl creëren. En zodra die iemand raakt, doet die alles wat ik zeg.”
,,Maar je kunt zo een pijl niet maken zonder boog?” komt Agnes ertussen. Roos schudt haar hoofd, wat Agnes natuurlijk niet kan zien. Maar Dagarik wel en zegt: ,,En ook niet als je het gebaar maakt alsof je een boog spant?” Roos probeert het en schudt haar hoofd opnieuw, ,,Natuurlijk lukt het niet als je het zelf niet gelooft. Nu, ga in je cel staan met je ogen gesloten,” Roos kijkt hem eerst verwonderd aan, maar doet enkele tellen later wat Dagarik zegt, ,,Haal adem door je neus en blaas uit door je mond. Doe dit langzaam, maar op een gelijk tempo. Concentreer je alleen op mijn stem,” Dagarik kijkt naar Roos en ziet hoe ze rustig in- en uitademt. Hij gaat verder, ,,Goed. Links van je ligt een boog. Houd je ogen gesloten en pak de boog,” Roos verplaatst haar rechterhand en maakt de gebaren alsof ze werkelijk een boog pakt, ,,Houd de boog voor je en span met je rechterhand het koord,” Ook nu doet Roos wat Dagarik zegt en ze trekt haar linkerarm naar achteren, terwijl ze haar rechterarm voor zich uitstrekt. Langzaam verschijnt er een stralend object tussen haar handen. Het is vooral wit met tinten van rood en roze.

Dagarik ziet het met een brede grijns van oor tot oor aan, maar blijft kalm, vooral omdat Roos niets door lijkt te hebben en in opperste concentratie blijft. Nadat Roos haar hele arm heeft uitgestrekt, zegt Dagarik, ,,Je mag nu je ogen langzaam openen.” Roos opent haar ogen en lijkt bijna te schrikken van het stralende object. ,,Het is je gelukt!” roept ze dolblij, ,,Je hebt me een liefdespijl laten maken zonder boog!”
,,Nee, het is jou gelukt,” zegt Dagarik, ,,Jij hebt die pijl gemaakt, niet ik.”
,,Waar kwam dat vandaan?” lacht Agnes vervolgens vol ongeloof. Dagarik grijnst en antwoord: ,,Ik had je toch verteld dat ik een priester had ontmoet? Die heeft mij leren mediteren,” Dagarik kijkt enkele seconden later naar Roos en vraagt: ,,Hoe lang is die pijl houdbaar, als dat het goede woord ervoor is. Ik bedoel: Hoe lang duurt het voordat de pijl verdwijnt of dat de krachten ervan verdwijnen?” Roos haalt haar schouders op en zegt: ,,Geen idee. Normaal als ik een pijl maak, schiet ik ‘m gelijk af.”
,,En maakt het wat uit wie de pijl gooit?”
,,Nee, de persoon gehoorzaamt automatisch mij.”
,,Mooi. Wil je de pijl dan over de grond naar mij toeschuiven? Dan schuif ik hem weer door naar Agnes,” licht Dagarik toe, ,,Zij kan natuurlijk het beste gooien,” Roos knikt en glijdt de stralende pijl over de grond naar de cel van Dagarik. Die doet vervolgens hetzelfde, maar dan richting Agnes. Hij schuift gelijk daarna de amandel mee. Daarna legt Dagarik de timing vast: ,,De pijl moet worden bewaard tot morgen, vlak voor de bruiloft en wanneer ik al weg ben. Anders word je te vroeg ontdekt en in het ergste geval wordt de bruiloft uitgesteld. Ik word straks weer meegenomen door T’yer. Ik heb geen idee wat er gaat gebeuren en of ik jullie daarna nog zie, maar ik wens jou, Agnes, alvast veel succes toe.” Agnes knikt: ,,Het moet goed komen,” zegt ze en glimlacht naar de jongen. Dagarik glimlacht terug en moet denken aan Gar’Dal. Zelf is Dagarik niet zo een leiding-nemend type of iemand die een plan uitstippelt. Gar’Dal was daar wel altijd goed in en hij vindt dat hij best wel op Gar’Dal begint te lijken. Hij hoopt maar dat alles goed gaat met ze in de bergen. Hij gaapt en rekt zich uit en gaat vervolgens op bed liggen, na ruim 24 uur niet te hebben geslapen.

Dagarik echter net in gedommeld of hij wordt wakker gemaakt door getik op zijn tralies. Hij knippert een paar keer en ziet T’yer aan de andere kant van de tralies staat en de deur opent. ,,Niet nu al,” kreunt Dagarik en draait zich om in bed. Maar de reus gunt hem geen seconde meer en trekt hem in één ruk uit bed, op de harde grond. ,,De toekomstige koningin wacht al op je,” bromt T’yer, ,,Je laat haar niet nog langer wachten.” Hij smijt Dagarik de gang op en sluit de celdeur achter hem. Daarna tilt hij Dagarik overeind en duwt hij hem richting de trap. Eenmaal de trap op gaan ze een eindje verderop weer de trap naar beneden. Intussen kent Dagarik de ruimte waar ze naartoe gaan, maar toch kijkt hij verbaasd om zich heen. Is dit de ruimte waar de toekomstige koningin haar gast wil ontvangen? Natuurlijk snapt Dagarik dat het waarschijnlijk zal gaan om het complot tegen de koning. Maar voor de soldaten die niet bij het complot horen moet dit toch erg vreemd zijn?
Ze komen in de andere gang, waar aan het eind de kamer staat waar Aran-Gosh Dagarik het plan had verteld. Ook nu gaan ze daar naar binnen en ziet Dagarik dat Aran-Gosh daar staat met een vrouw. De vrouw is erg klein en dus duidelijk een Sari. Maar ze is zelfs kleiner dan de gemiddelde Sari. Wat haar ook een typische Sari maakt is haar olijfkleurige huid en haar jurk met blauwe tinten. Ze heeft donkerbruin haar tot iets boven haar schouders en heldere, goud-gele amandelvormige ogen die haar gezicht erg opvallend maken. Ook de zwarte mascara op haar wimpers leggen de nadruk op haar ogen. Haar gezicht is vrij rond met scherpe kaakbenen en bedekt met make-up. Voor de rest heeft ze een kleine neus en een kleine mond bedekt met lippenstift. Dagarik herkent haar meteen. Het is Emine. Alsof ze poseert voor een portret zit ze op de stoel te wachten en kijkt ze Dagarik aan. ,,Is het echt?” is het eerste wat Dagarik haar na een hele lang tijd hoort zeggen. Ondanks dat hij haar al een hele tijd niet meer gezien of gehoord heeft, klinkt ze precies zoals Dagarik het in zijn hoofd had opgeslagen. Het is een vrij normale en niet echt opvallende stem, maar toch krijgt Dagarik en kippenvel van, ,,Ben jij het, Dagarik?” Emine staat op van haar stoel, loopt naar Dagarik toe en aait hem over zijn wangen. Nu ze voor hem staat realiseert Dagarik pas hoe klein ze is. De laatste keer dat hij haar zag verschilden ze nauwelijks iets van elkaar en was Dagarik maar een paar centimeter groter. Nu zit er toch al gauw meer dan tien centimeter verschil tussen.
,,Waar was je toch in Oasia?” gaat Emine verder, ,,Je was plotseling zomaar weg.”
,,Nee, jij was opeens weg,” antwoordt Dagarik, ,,Maar geen zorgen, verdwaald raken en voor mezelf leren zorgen was het beste wat me was overkomen in mijn hele leven.” Emine kijkt hem met een woeste blik aan en slaat Dagarik in het gezicht met haar vlakke hand, waarbij haar nagels de huid open trekken en er een straaltje bloed ontsnapt. Maar het bloed is Dagariks wang nog niet eens halverwege of de wond wordt automatisch gedicht. ,,Wat een fascinerende gave is het toch,” zegt Emine terwijl ze naar Dagariks gezicht blijft kijken, ,,Zo zonde dat ik dat niet had ontdekt voor ik je verkocht.”
,,Ja, zodat je me nog meer kon uitbuiten en nog zwaarder werk kon laten doen,” zegt Dagarik kalm. Hij verwacht weer een klap in het gezicht, maar daarentegen schiet Emine in de lach: ,,Je bent wel een stuk feller geworden sinds ik je heb verkocht aan de mijn,” Agnes loopt naar Aran-Gosh en streelt hem over zijn rug, ,,Toen Aran-Gosh mij vertelde dat hij van plan was jou de koning te laten vermoorden, dacht ik dat hij een grapje maakte. Ik dacht dat jij veel te soft was om dat te kunnen. Maar ik heb het mis. Je bent veranderd. Daar houd ik wel van.”
,,Dus, wat wordt het plan,” Dagarik trekt een vies gezicht bij het zien van Aran-Gosh en Emine die om elkaar heen lopen te draaien, ,,Jij trouwt de koning, ik doodt de koning en jij trouwt vervolgens met Aran-Gosh die de nieuwe koning wordt?”
,,Nee, ik kan nooit koning worden,” legt Aran-Gosh uit, ,,Tenminste, niet officieel. Als ik met Emine trouw, zal ik een prins worden, geen koning. Nee, zij gaat mij tot generaal benoemen en ik zal heersen alsof ik de koning ben.” Met een lichte frons in zijn wenkbrauwen kijkt Dagarik naar ze. Er schiet van alles door zijn hoofd en het is lastig te benoemen welke emotie er nu in hem heerst. Hij voelt zich ongemakkelijk. Dat is in ieder geval zeker.

Emine haalt een dolk tevoorschijn en laat het zien aan Dagarik. ,,Hiermee ga je de koning steken, vlak nadat hij met mij is getrouwd,” instrueert ze hem, ,,Je moet het doen als de koning en ik op het balkon staan en ons aan het volk laten zien. Gedurende de bruiloft ben je degene die mijn sluier vast houdt, dus ook tijdens de balkonscène. Jij loopt naar de koning toe en steekt hem in zijn nek. Begrepen?” Dagarik knikt. Hij heeft alles gehoord, maar nauwelijks geluisterd. In gedachten neemt hij het andere plan door, wanneer Agnes de amandel in de mond van de koning gooit en hoe Emine daarvoor zal opdraaien. Hij ziet het bijna voor zich en moet zich inhouden niet te lachen.
Plotseling wordt er op de deur geklopt. Aran-Gosh loopt naar de deur toe en verdwijnt erachter. Emine bergt haar dolk gauw op en wacht af tot Aran-Gosh weer terug komt. Die verschijnt een minuut of twee later weer in de kamer. Dagarik weet niet wat hem zojuist is verteld, maar hij kijkt niet blij. Met een woeste blik loopt hij naar Dagarik en zonder iets te zeggen slaat hij Dagarik volop in het gezicht, waardoor die met een smak op de grond valt. ,,Wat is er?” vraagt Emine, waarop Aran-Gosh een amandel uit zijn zak haalt. ,,De cipier vertelde wat jullie van plan waren,” sist Aran-Gosh tegen Dagarik en die kijkt hem benauwd aan, terwijl Aran-Gosh verder gaat: ,,Wilde je de koning doden en de schuld in de schoenen van Emine schuiven?” Aran-Gosh pakt Dagarik op en tilt hem voor zich uit, ,,Jij vieze, vuile lafaard!” Met alle kracht die hij heeft smijt hij Dagarik op de grond en begint op hem in te schoppen. Emine trekt Aran-Gosh vervolgens van Dagarik weg en vraagt wat er aan de hand is, ,,De cipier heeft het hele verhaal gehoord,” Aran-Gosh kijkt naar Dagarik en begint te lachen: ,,Cur heeft je verraden. Hij heeft het hele plan verteld aan de cipier. Deze stomme noot is vervolgens in de cel van Agnes gevonden,” Aran-Gosh pakt Dagarik weer bij de strot en sist: ,,Nog één zo een grap en ik zal mijn beloften waar maken.”
 
Laatst bewerkt door een moderator:

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 27: De bruiloft
Begeleid door de klokken die buiten luiden en de muziek binnen speelt, loopt Dagarik strak voor zich uit kijkend achter Emine aan, terwijl hij haar sluier net boven de grond houdt. Ondanks dat de sluier van drie meter een afstand creëert tussen Emine en Dagarik, voelt Dagarik zich erg dichtbij Emine. Elke vezel in hem is gespannen en schichtig gaan zijn ogen heen en weer. De banken zijn gevuld met de meest bizar geklede mensen die Dagarik ooit heeft gezien. Allemaal staan ze en hebben ze hun ogen op Emine gericht. Allemaal kijken ze vrolijk, behalve de soldaten die daar weer achter staan, aan de zijkanten van de zaal. Ze zijn zwaar bewapend met speren, zwaarden en schilden. Dagarik slikt en probeert zich mentaal voor te bereiden op de pijn. Hij maakt zijn hoofd leeg en haalt diep adem. Hij denk terug aan gistermiddag, toen T’yer hem weer naar zijn cel bracht. Het gezicht van Dagarik was bedekt met bloed, maar er waren geen wonden te zien. Toch was het wel degelijk zijn bloed, omdat Cur hem had verraden. Toen T’yer uit het zicht was verdwenen keek hij woest naar Cur. Maar voor hij wat kon zeggen sprong Agnes overeind en zei: ,,Ik kan alles uitleggen,” Dagarik keek naar Agnes en ze begon te vertellen: ,,Ik weet niet precies wat je gehoord hebt en wat ze met je hebben gedaan, maar het is mijn schuld. Niet die van Cur.”
Dagarik schrikt op. Emine wil verder lopen, maar hij was blijven staan. Hij kijkt om zich heen en loopt met Emine mee naar het altaar. Daar ziet hij voor het eerst de koning. Gor-Don heet hij. Net zoals zijn publiek is ook hij verschrikkelijk gekleed in een mantel met de felste kleuren. Rood, groen, paars en blauw, allemaal in één mantel. Het heeft allemaal wel een vorm en er is over nagedacht, maar Dagarik vindt het maar niets. Hij krijgt er bijna koppijn van. Maar de kroon van de koning is daarentegen wel mooi. Het goud en de edelstenen blinken aan alle kanten. Edelstenen, natuurlijk. Een land dat rijk is geworden door zijn edelstenen in de grond heeft natuurlijk een koning met een kroon vol edelstenen. Dagarik kijkt vervolgens naar het gezicht van Gor-Don. Die ziet er vriendelijker uit dan Dagarik zich had voorgesteld. Sterker nog, hij ziet er best wel aardig uit. Met zijn rimpelige gezicht, zijn witte kringelbaardje en zijn olijke ogen ziet hij eruit als een knuffelbare, oude man. Dagarik probeert aan alle erge dingen te denken die die man heeft gedaan. Want hij moet hiermee door. Hij kan nu niet stoppen. Dan was alle pijn en moeite voor niets geweest.

Het gebonk van iemand die de trap afkomt dreunde door de gang en de gevangenen keken om. ,,Is dat Dagarik al of krijgen we eindelijk voedsel?” vroeg Agnes en gelijk antwoordde Cur: ,,Het is de cipier met voedsel.” Agnes lachte en al gauw werd Cur in zijn gelijk gesteld. De cipier kwam langs en deelde één voor één bordjes uit. Alles verliep zoals gewoonlijk, totdat een gevangene tegenover Agnes begon te fluisteren: ,,Doe het nu.” Agnes schudde haar hoofd, maar het was al te laat. De cipier had het gehoord en riep: ,,Wat ‘doe het nu’? Jullie zijn toch geen ontsnappingspoging aan het voorbereiden, of wel?” Het werd stil en de cipier keek de gang rond en begon te schreeuwen: ,,Wie gaat mij vertellen wat er aan de hand is?!” Hij draaide zich naar Cur en sloeg met zijn knuppel tegen te tralies, ,,Vertel op!” Cur hield zich stil, maar dat maakte de situatie alleen maar erger. De cipier maakte de cel open en greep zijn zwaard. Hij sleepte Cur uit van zijn cel naar het midden van de gang en hield zijn zwaard bij de keel van Cur, ,,Ga je me het nog vertellen, of hoe zit…” De man stopte plotseling met praten en liet zijn zwaard vallen.
Dagarik blijft voor zich uit staren, terwijl een priester zijn zegje opleest en Emine en de koning hand in hand tegen over elkaar staan. De priester pakt vervolgens een kan en geeft die aan de koning. Dagarik heeft geen idee wat de gebruikelijke rituelen zijn en kijkt aandachtig wat er gebeurd. De koning heeft de handen van Emine losgelaten om de kan te pakken, terwijl de priester hem een beker voorhoudt. Gor-Don schenkt de beker vol en neemt die aan. Wat het precies is, weet Dagarik niet. Maar het ziet er niet lekker uit. Gor-Don neemt vervolgens een slok en geeft de beker dan door aan Emine. Die neemt er ook een slok van, waarna de priester de beker wegneemt. Emine moet daarna haar trouw zweren aan het volk en kort daarop verklaart de priester ze tot man en vrouw. Emine en Gor-Don kussen elkaar onder luid gejubel en geklap van het publiek.

De muziek begint weer vrolijk te spelen en de bruiloftstaart wordt aangesneden. Dagarik slikt. Er is nu geen weg meer terug. Hij denkt terug aan wat Agnes hem had verteld. Zij had de pijl gegooid. Iedereen keek wat er gebeurd was. De cipier liep naar Roos alsof hij slaapwandelde. ,,Wat moet ik hem laten zeggen?” vroeg Roos. Een gevangene riep: ,,Vraag om de sleutelbos, natuurlijk.” Bij gebrek aan betere opties beval Roos de cipier om de cellen open te maken. Nadat dat was gedaan, wilden de gevangenen gelijk wegrennen, maar Agnes hield ze tegen.
Dagarik kijkt weer op van zijn flashback en merkt dat Aran-Gosh naar hem staat te grijnzen. Het is een vrij normale grijns die bij andere mensen vriendelijk zou overkomen. Maar Dagarik heeft al zo een hekel gekregen aan de man en hij weet de kwade gedachte achter deze grijns. De commandant knipoogt en Dagarik kijkt weg. Hij moet nu niet worden afgeleid. Zeker niet nu het nieuwe echtpaar het balkon zal betreden. Dagarik volgt Emine naar de deur die voor hen opengaat. Ze worden onthaald door een joelende menigte die zich op het plein heeft verzameld. De koning staat met zijn rug naar Dagarik en Emine werpt een laatste blik naar achteren, waarop Dagarik voorzichtig het mes uit zijn mouw tevoorschijn haalt. Emine grijnst en begint vervolgens met haar echtgenoot te zwaaien, terwijl Dagarik dichter naar ze toe komt. Niemand lijkt iets door te hebben en het blijft enthousiast door juichen, totdat Dagarik de dolk tevoorschijn haalt en die in de rug van Emine steekt. Haar adem stokt, net zoals de rest van het publiek. De koning kijkt verbaasd wat er zich naast hem afspeelt en reageert te sloom om de aanval van Dagarik op hem tegen te houden. In een flits haalt Dagarik de dolk uit Emine en plant die in de buik van de koning. Het publiek begint te gillen en rent alle kanten op, terwijl het lichaam van de koning van het balkon valt. Ondertussen komen soldaten het balkon oprennen en beginnen ze met hun zwaarden in Dagarik te steken. Dagarik laat het gebeuren zonder zich te verzetten. Maar enkele seconden daarna worden zijn belagers weer van achteren aangevallen. Er ontstaat een gevecht in de zaal tussen de soldaten en de gevangenen. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?

,,We moeten dit slim aanpakken,” zei Agnes tegen de gevangenen die weg wilden, ,,Geloof me, wie nu naar buiten stormt komt zal niet verder komen dan de voordeur van het paleis.”
,,wat wil je dan doen?” riep een gevangene, ,,Hier zitten wachten?”
,,Ja. Tijdens de bruiloft kunnen we het beste wegkomen, omdat dan de meeste bewakers rondom de koning zijn,” vertelde Agnes, ,,Tot die tijd kunnen we gewoon hier blijven wachten in de cellen alsof er niets is gebeurd. Als we nu gewoon terug in onze cellen gaan en de deur achter ons dicht doen, dan merkt niemand wat op en weten de bewakers ook niet dat de deuren niet op slot zitten.” Iedereen zweeg, maar er werd wel geknikt.
,,Maar wat doen we met de cipier?” vroeg Roos, ,,Tegen morgen is het effect van de pijl al uitgewerkt.” Agnes keek peinzend naar de cipier en vroeg daarna aan Roos: ,,Hoeveel herinnert hij van deze gebeurtenis?”
,,Alles van voor hij werd geraakt, maar van de gebeurtenis tijdens zijn betovering weet hij niets meer.”
,,Laten we het dan zo spelen dat het voor hem het meest logisch is en zijn gedrag ons niet verraad,” besloot Agnes. Ze liep naar haar cel en pakte de amandel, ,,Deze hebben we toch niet meer nodig. Vertel de cipier dat hij naar zijn leidinggevende moet en vertelt dat hij een aanslag op de koning heeft ontdekt.”
,,Is dat niet te riskant?” vroeg Roos, ,,Stel dat ze daarna onze cellen nog gaan inspecteren en dan ontdekken dat elke deur open is.”
,,Dat zullen ze niet doen als we gewoon het verhaal vertellen zoals we het hadden gepland met een paar aanpassingen.” Agnes lichtte het verder toe en Roos begon daarna de cipier te instrueren: ,,Je hebt Cur net ondervraagd en die vertelde je over het plan dat er een aanslag op de koning zou plaatsvinden. Je hebt in de cel van Agnes een amandel gevonden die Dagarik daar heeft laten verstoppen. Dagarik wilde die amandel stiekem aan de koning voeren, waardoor hij een allergische reactie zou krijgen en iedereen zou denken dat Emine, de koningin, de schuldige was. Er zou dan chaos ontstaan, waardoor Dagarik weg kon komen en met zijn vrienden kon ontsnappen,” vertelde Roos en de cipier stond zo voor zich uit dat het de vraag was of hij überhaupt wel hoorde wat er gezegd werd. Maar Roos leek daar niet aan te twijfelen en ging verder: ,,Maar doordat jij Cur hebt bedreigd heeft hij jou dit plan verteld,” Terwijl Roos verder vertelde, hing Agnes de bos sleutels weer aan de gordel van de cipier en stopte Cur het zwaard terug in de schede, alsof er niets was gebeurd, ,,Ga nu naar Aran-Gosh en vertel wat je te weten bent gekomen. Laat hem de amandel zien en vertel dat de situatie weer stabiel is.” De cipier liep toen zonder wat te zeggen de gang uit en snel gingen alle gevangenen hun cellen weer in en deden ze de deuren achter zich dicht.

Dagarik komt langzaam weer bij. Hij kijkt naar zichzelf en ziet dat zijn kleding vol zit met allemaal gaten en is bedekt met bloed, wat eerder niet was. Hij krabbelt overeind en ziet wat er binnen in de zaal gaande is. Agnes, Cur, Roos en de andere gevangenen vechten tegen de overmacht van Sarische soldaten, maar lijken het wel te winnen, dankzij de verassing aan hun zijde is. Roos blijkt een hele goede vechter te zijn en schakelt de ene na de andere uit, terwijl ze van alle kanten wordt belaagd. Net zoals Agnes. Haar kracht mag dan verband hebben met dingen gooien, met zwaarden kan ze ook behoorlijk goed onderweg. Cur heeft het er echter wel moeilijk mee en weet zich nauwelijks staande te houden. Dagarik besluit hem te helpen, maar plotseling heeft hij het gevoel dat zijn maag wordt uitgewrongen. Hij draait zich om en ziet dat Emine nog leeft! Dagarik stort zich op Emine, maar die heeft blijkbaar nog genoeg kracht om de aanval af te weren, terwijl ze Dagarik in haar greep houdt. En terwijl Dagarik kronkelend van de pijn zijn lichaam probeert te beheersen slaat Emine Dagarik keer op keer in het gezicht. Dagarik probeert haar tegen te houden, maar hij kan niet tegen Emine en de pijn tegelijkertijd vechten. Emine slaat Dagarik van zich af en kruipt naar de dolk die van haar af ligt. Zo snel Dagarik kan valt hij op Emine en probeert hij te voorkomen dat ze bij het voorwerp komt en probeert zelf de dolk te pakken. Maar Emine is sterker, grijpt de dolk en weet Dagarik een aantal keer te steken. Het bloed spuit alle kanten op, maar Dagarik geeft niet op. Hij bijt in Emines arm, en slaat de dolk uit haar handen. ,,Geef het toch op,” kreunt Emine, ,,Je kunt niet van mij winnen terwijl ik je van binnen helemaal kapot maak.” Dagarik probeert te focussen op het wegkomen en niet op de stem. Uiteindelijk weet hij uit de greep van Emine te komen en kruipt hij weg, richting de dolk. Maar hij kruipt er voorbij en trekt zich omhoog aan de railing van het balkon. Het kost hem zijn laatste kracht als hij staat en zegt: ,,Probeer me maar kapot te maken als ik drie verdiepingen lager ben.” Vervolgens laat Dagarik zich van het balkon vallen en Emine vervloekt hem na.

Een koel briesje waait langs Dagariks hoofd en laat zijn krullen dansen in de wind. Langzaam opent hij zijn ogen en ziet een plafond boven zich. Vervolgens merkt hij dat hij op een matras ligt. Waar is hij? Hij kijkt om zich heen en kan niet bedenken waar hij zou moeten zijn. Vervolgens ziet hij Agnes. Ze glimlacht naar hem en op haar gezicht lijkt alsof ze verre van bezorgdheid is. Was het dan een droom? Ligt Dagarik nog in de herberg en moeten ze Cur nog bevrijden?! ,,Jongens, hij is weer wakker,” roept Agnes en dan beseft Dagarik dat het dan geen droom kan zijn. Want in die herberg waren ze alleen. Dagarik slaat de dekens van zich af en ziet dat hij op een onderbroek na helemaal geen kleding aan heeft. Het boeit hem alleen niet zoveel en hij komt overeind. Als hij eenmaal op het bed zit, komen Cur, Roos en een paar gevangenen de kamer binnen. ,,W-Waar ben ik?” zegt Dagarik, terwijl hij verward om zich heen kijkt, ,,Wat is er gebeurd?”
,,We hebben de oorlog gewonnen!” zegt één van de ex-gevangenen, ,,Allemaal dankzij jou!” Dagarik kijkt verbaasd de rest aan en die knikken. ,,Hoe kan dat?”
,,We hebben de strijd tijdens de bruiloft gewonnen,” legt Agnes uit, ,,Het ging de slechte kant op toen de zaal voor de zoveelste keer begon vol te stromen met soldaten, want het nieuws dat jij Gor-Don van het balkon had gegooid verspreidde zich snel.”
,,Maar niet alleen soldaten kwamen daardoor in actie,” zegt een andere ex-gevangene. ,,Ook al mijn volgelingen reageerden erop en grepen hun wapens.”
,,Jij was een opstandelingenleider?” vraagt Dagarik en de anderen lachen ,,Nee, hij is de koning van Noroth, Bochmir,” vertelt Agnes. Dagarik kijkt haar niet-begrijpend aan. ,,Hoe kan die nog leven?”
,,Op het moment toen Saroth Nornos binnen viel hebben mijn wachters mij overgehaald om te vluchten en mij schuil te houden, terwijl ik wilde blijven. Het heeft uiteindelijk mijn leven gered, maar het kostte de dood van vele dappere soldaten. En terwijl ik onder het paleis in de gevangenis zat, werden boven mij de verschrikkelijkste plannen bedacht.” Dagarik knikt en het is te zien dat hij tijd nodig heeft om het te verwerken. Maar na een tijdje vraagt hij: ,,Dus we hebben de oorlog gewonnen?”
,,Ja, door de dood van hun koning waren ze helemaal van slag en nadat ze meer weerstand kregen dan verwacht, hebben ze zich overgegeven.”
,,En Emine en Aran-Gosh?” vraagt Dagarik en de personen tegenover hem kijken elkaar zwijgzaam aan. ,,Emine heeft jouw aanslag overleefd, maar zit nu in kritieke toestand opgesloten,” vertelt Agnes, ,,Aran-Gosh is echter met T’yer weten te ontkomen. Ze houden zich waarschijnlijk schuil in de bergen.”
,,Er wordt nog niet naar hen gezocht, maar dat komt nog wel,” vult Bochmir aan, ,,Ik wil het zo snel mogelijk doen, maar eerst moeten er andere zaken worden geregeld.” Dagarik begrijpt het en knikt. Zoals Bochmir al zei komt dat wel. Hij glimlacht. Alles is beter verlopen dan hij had durven dromen. Wie had dat dan ook gedacht dat ze vandaag de oorlog zouden eindigen? Dat is toch geweldig nieuws?! Maar het is niet alles. Agnes zegt: ,,Oh ja, bijna vergeten. Er is een post-valk naar Urzluk gestuurd. Er is nog geen reactie teruggekomen, maar waarschijnlijk zien we onze vrienden uit het kamp binnenkort weer!”
 
Laatst bewerkt door een moderator:

Koning Naamloos

Gast
Dagarik
Overzicht 1 en 2

Hoofdstuk 28: De repressie
Dagarik staart in de verte. De wind waait langs hem heen en beukt tegen de muren van de toren waar hij in staat. Het gaat hard tekeer, maar Dagariks aandacht gaat uit naar iets anders, iets dat hij nog niet heeft gezien, maar waarvan hij weet dat het gaat komen. Hij blijft door de telescoop turen en ziet uiteindelijk een zwart stipje vanuit de bergen verschijnen. Het kan van alles zijn, ook wanneer het gedaante dichterbij komt. Dagarik weet het pas zeker wie ze zijn als ze richting het meer lopen en er iets uit halen. ,,Gar’Dal en de rest zijn er!” roept hij uitbundig. Maar er is niemand die het hoort. Snel legt hij de telescoop neer, klimt via de ladder naar beneden en rent hij de stad in. De weg naar het paleis is wel een eind, maar Dagarik lijkt zich er niet druk over te maken. Zo hard hij kan rent hij over de grote straat, ontwijkt hij een paar burgers en kan hij net voorkomen tegen een paar soldaten op te botsen. Uiteindelijk komt hij aan. Er staan wachters voor de deur, maar die negeren de jongen die naar binnen rent, de trappen op stamt en vervolgens de deuren van een kamer openslaat. ,,Gar’Dal en de rest komen eraan!” roept hij nogmaals. Hij wordt aangekeken door een paar verbaasde gezichten van Agnes, Cur, Roos, koning Bochmir en een paar soldaten die om een tafel zitten. ,,Heel leuk, maar we zitten middenin een belangrijke vergadering,” zegt Agnes kalm, ,,We komen er zo aan.”
,,Weet je zeker dat je niet bij de vergadering aanwezig wilt zijn?” vraagt Roos vervolgens en Dagarik schudt zijn hoofd: ,,Ik hoor het wel wat de plannen zijn,” antwoordt hij, ,,Voorlopig heb ik niet de behoefte me daar druk over te maken.” Roos glimlacht en knikt, waarop Dagarik de kamer verlaat. Hij loopt naar buiten en haalt diep adem, waardoor zijn longen zijn gevuld met de frisse buitenlucht. Het zonnetje schijnt en het wordt elke dag al iets warmer. Ja, de winter komt aan zijn eind. En maar goed ook, want Dagarik heeft het meer dan genoeg kou gehad. Dagarik blaast de lucht uit en ziet dat er nog altijd condens ontstaat. Het is nog even volhouden, want de lente laat nog op zich wachten. Maar Dagarik heeft alle tijd. Tevreden kijkt hij om zich heen wat hij in tussentijd kan doen om het wachten korter te laten lijken. Hij pakt zijn slinger die Bochmir heeft teruggevonden in het paleis. Die slinger heeft hij nu aan zijn gordel om zijn mantel hangen. Het is een vrij simpele mantel die Dagarik aan heeft, maar het is wel lekker warm en dus efficiënt. Dagarik legt een kogeltje in de slinger en begint ermee te zwaaien met een boom als mikpunt die een tiental meters voor hem staat.

Na een paar worpen en nadat hij de kogels weer opnieuw heeft verzameld merkt Dagarik dat de poorten open gaan. Snel stopt Dagarik de kogels in zijn buidel en bindt hij zijn slinger aan zijn gordel, waarna hij zo snel als hij kan richting de poort gaat. Vervolgens vliegt hij Gar’Dal in de armen. ,,Goed je weer te zien,” zegt Dagarik na de begroeting.
,,Ook fijn jou weer te zien,” reageert Gar’Dal blij, ,,Maar laat het de volgende keer even persoonlijk weten als je besluit op een gevaarlijke missie te gaan, oké?” Dagarik grijnst en gaat daarna de volgende personen af. Hij omhelst Micha en Fitor en schudt Gawor de hand. ,,Goed gedaan, jongen,” is het enige wat de hij tegen de jongen zegt. Hij loopt vervolgens met de speer, die ze bij het meer hebben gepakt, in de handen verder en Dagarik vertelt hem waar Agnes is. Vervolgens wendt hij zich tot de laatste bezoeker die hij kan omhelzen: ,,Irath!” roept Dagarik vrolijk en de wolf springt gelijk tegen hem op. Dagarik aait het dier en blijft net zolang zijn gezicht tegen de warme vacht aandrukken, totdat Gar’Dal tegen hem zegt verder te gaan. Dagarik wil ze naar het paleis begeleiden, maar natuurlijk nemen Gawor en diens baas de leiding. Dagarik vindt het allemaal maar best. Des te meer hij kan praten met de anderen. ,,Zijn dit alle vluchtelingen uit Urzluk?” vraagt Dagarik aan Gar’Dal. Hij knikt en antwoordt: ,,Of de oorlog nu over is of niet, Nornos is de enige stad in Nornos waar geen vijandige soldaten zijn.” Dagarik knikt en kijkt om als hij iemand achter hem hoort versnellen. ,,Maakt mijn dochter het goed?” Dagarik ziet dat het Sorophia is, de moeder van Agnes. Hij knikt, waarna ze hem begint te bedanken. Ook Haphara komt Dagarik persoonlijk bedanken. ,,Je hoeft mij niet te bedanken,” zegt Dagarik bescheiden, ,,We hebben het met z’n allen gedaan.”
,,Alleen sloot je en Fitor en Micha buiten,” grijnst Gar’Dal, ,,Maar ik sta te popelen om te horen wat er nu allemaal is gebeurd.”
,,Dat komt zo wel,” vertelt Dagarik, ,,Pas als we in het paleis zijn.” Dagarik kijkt voor zich uit en ziet het grote gebouw al boven de daken uitsteken. Hij staat er nu pas bij stil dat hoe prachtig het gebouw is. Maar echt stilstaan doet hij niet. Hij blijft doorlopen met de groep mee. En eenmaal bij de deur aangekomen mogen de vluchtelingen en de meesten niet naar binnen. Dus Gawor, zijn baas, Fitor, Micha, Gar’Dal en Dagarik kunnen wel naar binnen en worden in het paleis de weg gewezen naar de vergaderzaal. Irath moet helaas ook buiten blijven.

Daar zitten de koning en de vrienden van Dagarik nog en er volgt weer een lange reeks met begroetingen. Het duurt enkele minuten voor iedereen eindelijk zit. Koning Bochmir begint met te vertellen en geeft al snel het woord aan Dagarik. Die begint het hele verhaal te vertellen vanaf dat de wegen werden gescheiden en hij met Agnes verder ging. Hij probeert het zo gedetailleerd en chronologisch te vertellen. En waar zaken ontbreken vult Agnes aan. Er wordt aandachtig geluisterd. Ook door de koning, die in de gevangenis het verhaal al mee had geluisterd. Zo kan Dagarik zonder gestoord te worden zijn verhaal af maken. ,,Dus dat boekje was gewoon een list van Aran-Gosh om zoveel doden te maken,” herhaalt Gar’Dal nadat Dagarik klaar is. Hij staart half voor zich uit, ,,Nou, gelukkig is het tot een goed einde gekomen.”
,,Dat weten we nog niet zeker,” antwoordt Bochmir, ,,Wesroth zit zonder leider. We hebben rapporten gevonden waarin wordt gesproken hoe Ryar, de koning van Wesroth, is onthoofd. Er moet daar snel iemand gekozen worden, voor het land uit elkaar valt. Hetzelfde geldt voor Saroth. Als dat uit elkaar valt zullen er veel problemen ontstaan.”
,,Maar sta je dan toe dat Saroth zelf een leider opstelt?” vraag Gar’Dal verwonderd en Bochmir schudt zijn hoofd: ,,Ik zal een leger naar Saroth sturen om de veiligheid te waarborgen en de vorderingen in de gaten te houden. We hebben met Roos afgesproken dat zij voorlopig de leider wordt, totdat een echte koning wordt gekozen.” Dagarik kijkt Roos verrast aan. Dat had hij niet verwacht! ,,Denkt u niet dat het in de verkeerde keelgat gaat schieten bij de inwoners van Saroth als de Nori voor hun een leider kiest?” vraagt Gar’Dal vervolgens.
,,Niet als Roos met toestemming wordt gekozen van oud kolonels en commandanten van Saroth die nu in onze cellen zitten,” legt Bochmir uit, ,,Volgens haarzelf heeft ze in Saroth een onbesproken gedrag. Hetzelfde willen we doen met Wesroth. We willen hen helpen zo snel mogelijk een leider te kiezen. Maar we hebben nog geen echte Wesri op het oog.”
,,Gar’Dal, jij hoort bij dat volk en jij bent een geboren leider,” stelt Dagarik voor, ,,Is het niet iets voor jou?”
,,Nee, ik ben altijd al een buitenbeentje geweest en niet echt een Wesri,” brengt Gar’Dal ertegenin, ,,En daarnaast houd ik van eenvoud. Dus als ik koning zou moeten worden laat ik het volk in het paleis slapen en neem ik wel een simpel hutje.” Er wordt gelachen, maar al snel komt Fitor ter zake: ,,Ik wil die taak wel op me nemen,” zegt hij, ,,Maar wel met toestemming van de Wesri zelf.”
,,Uitstekend, dat kan geregeld worden!” De koning sluit de vergadering en bijna direct staat iedereen op. Dagarik kijkt verbaasd om zich heen en staat vervolgens ook op. Maar plotseling komt een wachter de zaal binnen rennen en zegt: ,,Heer, er is bezoek voor u.”
,,Oké, laat ze maar komen,” antwoordt Bochmir, waarna er een stel vreemd geklede, oude mannen en vrouwen binnen komen. Met kralen en veren in hun hoofd, gekleed in dierenvellen en met allerlei potjes en zakje aan hun gordels komen ze binnen en wordt alle aandacht op hen gevestigd. Dagariks verwachting wordt al snel bevestigd wanneer de bezoekers zich voorstellen als magiërs. ,,Welke boodschap hebben jullie voor mij?” vraagt de koning en in koor schudden ze hun hoofden. Eén van de magiërs, te onderscheiden met een opvallende stok neemt het woord: ,,Wij komen voor ene jongen die luistert naar de naam Dagarik,” klinkt haar krakerige stem. Alle blikken gaan vervolgens naar de jongen die verbaasd de magiër aankijkt. Het duurt enkele tellen voor hij met twijfel in zijn stem zegt: ,,Dat ben ik.”
,,Het is een eer u te mogen ontmoeten, edele halfgod.”
,,Ik ben niet de enige halfgod, hoor,” zegt Dagarik, die zich ongemakkelijk voelt bij alle aandacht, ,,Waarvoor zijn jullie hier?”
,,Met uw krachten kunt u wellicht de wereld redden.” Dagarik kijkt haar verbaasd aan en vraagt met dezelfde verbazing in de stem: ,,Met de beëindiging van de oorlog is de wereld al gered?”
,,Nee, absoluut niet,” kraakt de stem van de magiër, ,,De slechte oppergod Maeror is nog steeds actief en zal blijven zoeken naar een mogelijkheid om de aarde te vernietigen. Maar jij kan de wereld redden door hem te stoppen!”
,,Hoe?” luidt het korte antwoord van Dagarik op het vreemde verhaal van de vrouw. Zij antwoordt: ,,Door in de godenwereld de strijd met hem aan te gaan. Kom met ons mee naar Midroth en dan leggen wij het allemaal uit.”

Dagarik slikt. Hij durft niet zomaar een keuze te maken. Maar waarschijnlijk hebben ze het juist. Het gevaar van Maeror is nog niet geweken. En Aran-Gosh en T’yer lopen ook nog steeds vrij rond. Die zullen alles aan doen om Maeror in zijn plannen te helpen. Aan de andere kant voelt Dagarik er niets voor. Het is eindelijk rustig en hij is al dat reizen wel zat. ,,Oké, ik kom met jullie mee,” besluit Dagarik toch maar.
,,Uitstekend. We vertrekken vandaag al,” zegt de magiër, ,,Alles is al voor je klaargemaakt. Geen tijd te verliezen.”
,,Dan kom ik mee,” roept Gar’Dal, waarop Agnes roept: ,,En ik ook!”
,,Nee, dat kan ik niet toestaan,” reageert Bochmir tegen Agnes, ,,Ik heb jou en Cur hier nodig om het volk te inspireren, waardoor de opbouw van het rijk sneller gaat.” Agnes zucht en knikt uiteindelijk. Ze loopt naar Dagarik en toe en zegt: ,,Dan nemen we hier afscheid, denk ik.” Ze omhelst Dagarik en doet vervolgens hetzelfde bij Gar’Dal, waarna Roos aansluit en Dagarik omhelst. ,,Mocht je nog een keer in Saroth komen, dan ben je altijd welkom,” zegt ze. Dagarik glimlacht en schudt vervolgens de hand van Fitor die de volgende is in het rijtje dat zich razendsnel heeft gevormd. En zo gaat het rijtje Dagarik en Gar’Dal langs, totdat iedereen afscheid van hen heeft kunnen nemen. Daarna begeleiden de magiërs Dagarik en Gar’Dal naar buiten. En net voordat Dagarik wil vragen met welk vervoermiddel ze gaan, ziet hij een koets met vier paarden voor het paleis staan. Samen met Gar’Dal en de magiërs gaat hij naar binnen en zwaaiend naar zijn vrienden voor het paleis rijden ze weg. Waarna ze de stad uit zijn slaakt Dagarik een zucht en kijkt met een glimlach Gar’Dal aan. Er staat een nieuw avontuur voor de deur die hij samen met Gar’Dal aangaat, zoals het allemaal was begonnen.

EINDE
 

Koning Naamloos

Gast
Dagarik: De Godenoorlog

kaart

Inhoud

Release-data
Hoofdstuk:
  1. 17 januari 2015
  2. 24 januari 2015
  3. 31 januari 2015
 
Laatst bewerkt door een moderator:

drogon1402

Gast
1/3
Ik zie hem daar lopen alsof er niks aan de hand is, alsof hij gewoon veilig is. De rest van de wereld weet niet wat hij doet en hoe zijn dochter daar het slachtoffer van is. Zoals gewoonlijk zal hij naar de bar gaan zoals hij elke donderdag avond doet. Ik start mijn auto en volg hem langs de route die hij altijd neemt. Op het punt dat hij bijna een steegje in gaat zet ik mijn auto aan de andere kant van het steegje. Ik loop hem tegemoet terwijl hij nog steeds veilig denkt te zijn. Zodra ik hem net voorbij ben pak ik mijn spuit en draai ik om. Voordat hij het doorheeft zit mijn rechter hand al over zijn mond zodat hij niet kan schreeuwen en met mijn linker hand breng ik mijn spuit naar zijn nek en injecteer hem met een verdovend middel. Terwijl zijn bewustzijn nog wegzakt kan hij nog een beetje met me meelopen en leg ik zijn arm om mijn nek heen alsof een dronken vriend hem helpt thuis te komen. Ik open het rechter portier van mijn auto en zet hem op de bijrijdersstoel. Nadat de deur aan zijn kant gesloten is loop ik voor de auto lang om bij de bestuurderskant te komen en stap ik in.
Als ik eenmaal zit start ik de auto weer terwijl al het bewustzijn weg is uit mijn passagier. De plek die ik speciaal voor vanavond heb voorbereidt is hier niet ver vandaan en zo rijdt ik er dus heen in net iets minder dan tien minuten. Ik heb een mooie plek gevonden in een verlaten deel van de stad is een oude haven met een pakhuis en een ruim kantoortje. Vanmiddag ben ik daar al geweest voor de voorbereiding ik heb de hele kamer bedekt met plastic zodat opruimen heel makkelijk is en er niemand ooit door zal hebben wat daar is gebeurt. Voor mij is een dag als vandaag altijd speciaal, het vult me met vreugde dat ik het leven van anderen beter zal maken, maar dat gaat niet zonder dat er andere mensen voor lijden. Mensen zullen gemis voelen maar dat zal snel weer over gaan omdat deze het niet waard is om gemist te worden.
We arriveren op onze eindbestemming waar ik weer voor de auto langs loop om mijn passagier uit de auto te halen. Hij is nu compleet buiten bewustzijn en ik moet hem dus optillen. Ondanks dat hij niet zo groot is in lengte is hij zwaarder dan wat men stevig noemt en is het voor mij toch noch een hele klus om hem op de tafel in het kantoortje te krijgen. Ik kijk nog even het kantoortje rond om te kijken of alles klaar is. Het kantoortje is helemaal bedekt met plasticfolie, op een kastje waar hij het goed kan zien staan foto’s van zijn hele gezin, van ieder een losse foto en een hele mooie gezinsfoto waar hij tussen zijn vrouw en dochter in staat. Op de foto heeft zijn vrouw overdreven veel make-up op om een blauwe plek op de kaak te bedekken en ondanks dat zijn oogholtes mooi op de camera gericht staan kijkt hij met zijn oogbollen naar de mooie volle boezem van zijn dochter. En naast zijn dochter staat zijn eeneiige tweeling, twee kleine jongetjes.
hemzelf tape ik nu vast aan het bureau waar hij oplicht door een paar rondjes met tape om het bureau te maken met hem ertussen. Ik doe dat op drie plekken, bij zijn voorhoofd terwijl ik zijn hoofd naar zijn familiefoto’s heb gericht, om zijn middel waarmee ik zijn volle buik en zijn armen mooi vast leg en ook nog om net boven zijn voeten om zijn benen vast te keggen. Zelf ben ik ook ingepakt maar dan wel in een plastic pak zodat ik nog wel kan bewegen maar ik geen bewijs achter zal laten van wat er hier vanavond gebeurt.
 

drogon1402

Gast
2/3
Nadat ik nog een paar andere kleine dingen heb bekeken is het tijd om hem wakker te maken, ik pak nog een spuit en breng die naar de kant van zijn nek waar ik nog geen spuit in heb gezet. Nadat ik de spuit in zijn nek heb geleegd is hij niet de enige die wakker wordt, zelf kom ik ook in het hier en nu terecht. Dit is het geen waar ik het beste in ben hier ben ik helemaal in mijn element. Ik zie zijn ogen openen en zie daar de schrik en het onwetende. Voor een paar seconden gaat hij met zijn kaken op en neer maar komt er geen geluid uit later pas vindt hij zijn stembanden. “HELP! WAT GEBEURT HIER?!” altijd heerlijk als ze gelijk beginnen te schreeuwen, het laat mij weten dat ik degene ben die bepaald wat er gebeurt. “Rustig maar niemand zal je horen en niemand zal je reden van wat er vanavond staat te gebeuren.” Niemand beseft gelijk dat schreeuwen geen zin heeft en na een tijdje begint het vervelend te worden dus pak ik een ouwe sok, maak die in een mooi balletje en stop die in zijn mond. Ik kan hem nu nog steeds horen allen is het een stuk gedempter, het lijkt wel bijna op gewoon gemompel.
“Ik wil dat je heel goed naar mij luistert, knipper twee keer als je dat begrijpt.” Oh wat is hij toch een goeie luisteraar, hij knippert twee keer heel braaf terwijl het zweet over zijn voorhoofd loopt. “Je hebt een leuke familie, ze zien er ook zo goed uit he? Twee prachtige kereltjes, je moet vast heel trots op ze zijn. En een beeldschone vrouw met al die lage make-up zie je bijna niet dat je haar nog mooier probeert te slaan, de smurfen vindt jij wel leuk denk ik, blauw en klein. Je vrouw is niet zo klein maar he dochter is al bijna volgroeit en is niet veel groter dan en meter zestig. Een beetje afwisseling tussen je vrouw en je dochter en je hebt je persoonlijke smurf.” Het onwetende begint nu uit zijn ogen te verdwijnen en raken nu meer gevuld met angst, angst voor een lot dat hij nooit had verwacht.
“Ik heb veel over je gehoord, gelezen moet ik eigenlijk zeggen. Je dochter houdt namelijk een anonieme online blog bij. Ik lees haar blog al voor een hele tijd nu en ik moet zeggen dat ik behoorlijk ben geschrokken over wat ik daar las. Eerst dacht ik dat ze voor de lol van dat soort verhaaltjes schreef maar toen ik er uiteindelijk in slaagde jullie adres te achterhalen en heb gekeken of het waar was, ben ik enorm geschrokken. Ik heb jullie vanaf een afstandje in de gaten gehouden en heb gezien hoe je je vrouw slaat en je dochten van zestien verkracht. Ik haal zo die sok uit je mond en dan mag je mij uitleggen hoe je zoveel van je dochter kan houden dat je het recht heb om haar emotioneel kapot te maken. Maar ook hoe het komt dat haar enige seksuele partner, haar vader, er voor verantwoordelijk is dat zijn dochter al twee abortussen heeft laten plegen.”
Wat is het toch fijn om de angst in hun ogen te zien, maar ook dat kleine beetje hoop op de kans om hier nog weg te komen. Ik neem nu een paar stappen naar zijn hoofd toe en pak de sok uit zijn mond. Eerst maakt hij een paar hoest geluiden om daarna weer zijn stembanden te gebruiken.
“Ik wist helemaal niks van die abortussen, ik zweer het! Ze vroeg er zelf om ze wou zelf dat ik seks met haar had. Ze was twaalf toen ze voor het eerst naar mij toe kwam, eerst heb ik voor weken geweigerd, maar ik kon mijn dochter toch niet weigeren wat zij zo graag leek te willen en zo makkelijk te geven was?” De leugens, elke keer bedenken ze wel wat maar door de stres en de angst kunnen ze niks fatsoenlijks bedenken.
“Zelfs al zou dat waar zijn dan zou je als vader de betere persoon moeten zijn en het en met je vrouw en dochter over moeten hebben. Maar het maakt nu niet meer uit. Je tijd is op.” Ik buk en pak onder het bureau een mes vandaan. Ik ga weer aan de lange zijden van het bureau, pak het mes met mijn twee handen en houdt het recht boven zijn hart. Ik kijk hem nu recht in de ogen aan en ik zie smeken ik zie zijn angst het is zo gemeend maar toch ga ik door ik kan nu eenmaal niet stoppen als ik eenmaal ben begonnen en ik voel ook de behoefte niet om hem genade te schenken. Ik blijf hem in de ogen aankijken met zoveel mogelijk respect als ik voor al mijn slachtoffers kan opbrengen, een persoon niet aankijken terwijl je hem vermoordt is een van de ergste dingen die je kan doen, als je iemand niet in de ogen aankijkt terwijl je hem vermoordt dan weet je nooit zeker of het wel de bedoeling is dat je die persoon vermoord. Als je hem in de ogen kan kijken er door kan gaan dan weet je dat het juist is wat je doet en hoeveel schade je aanricht hoe moeilijk het ook is het is juist.
Ik laat mijn mes zaken met een grote snelheid, recht in zijn hart. De dood is bijna gelijk en de lichtjes in de ogen gaan uit.
 

drogon1402

Gast
3/3
Dit moet mij wel weer even van voldoende genot voorzien want nu komt het vervelendste van alles, het opruimen. Ik heb een hele rol aan van die zwarte vuilniszakken bij me, dat is meer dan voldoende maar ik moet wel alles passend maken. Dus ik pak een volgend gereedschap onder het bureau vandaan, een zaag en ik begin hem in stukken te zagen. Eerste haal ik het hoofd eraf daarna de armen en dan de benen tot dat er een groot rond torso over blijft. Zijn torso is te groot om in een zak te doen en ik moet het dus eerst open snijden om de organen in een eigen zak te doen. Nu zijn organen uit het torso zijn is het als wat beter in een zak te proppen maar nog niet voldoende ik moet ook nog zijn ribben breken zodat het torso wat flexibeler is en wat minder lucht in zich heeft. Nu alles op grootte is om in zakken te doen kan ik beginnen met het bloed bij elkaar dweilen en in een eigen zak te doen en daar weer twee extra zakken om heen te doen. Ik heb zijn losse bloed opgeruimd maar ik moet de hele kamer nog verder opruimen. Ik haal het plastic van de muren en snij het in kleinere lappen waar ik zijn lichaam in vouw, en dat stop ik dan in de plastic zakken, dan lekt het minder. Voor de zekerheid doe ik ook om die zakken weer wat extra zakken. Het enige dat nu nog resteert is het vullen van ongeveer drie zakken met een mes, een zaag en de rest van het plastic. Ik prop alle zakken in mijn wagen, wat was het toch verstandig van mij om deze zevenpersoonswagen te kiezen over de standaard vijfpersoonswagens.
Ik ga nu weer achter het stuur zitten om naar een van mijn dumpplaatsen te gaan, het is maar een halfuur hiervandaan. Ik stap uit de auto en zie het meer voor mij, het is een meer waar je niet door het water heen kan kijken veel te veel algen en ander vuil. Ik haal mij bootje met het touw achter het riet vandaan en plaats er de eerste drie zakken en die ik aan elkaar bind met een touw en daarna bind ik er nog een steen aan vast zodat ik zeker weet dat het naar de boden zinkt zodra ik het ongeveer in het midden van het meer naar het diepe gooi. Hetzelfde doe ik ook met nog een set van drie zakken. Deze man kan zich nu bij mijn andere slachtoffers voegen, in dit meer is hij mijn 51e slachtoffer naar in totaal in hij mijn 182e. ik doe dit al jaren en zal het ook nooit opgeven denk ik het vult mij met een vorm van vreugde en een gevoel van het juiste doen.
Ik ben weer klaar voor vandaag en nu is het tijd dat ik naar huis ga voordat mijn vrouw zich zorgen ga maken waar ik ben. Ik kan haar nooit vertellen wat ik doe, ze zal het niet begrijpen en zouden de meeste mensen nooit begrijpen dat ik hier mensen juist een plezier mee doe. Soms kijk ik later nog een keer naar de gezinnen die ik heb bevrijdt van hun tirannie en zie ik dat ze er op vooruit zijn gegaan en zonder dat ze het zelf toegeven komt dat dooradat ik ze van die ene persoon af zijn die hun het leven lastig maakte.